Samenvatting
Uit de bestreden akte blijkt dat verweerder om twee redenen weigert om verzoeker toe te laten tot een in de Vreemdelingenwet voorziene bewijsregeling en bijgevolg een definitief karakter geeft aan een eerder “onder voorbehoud” genomen weigeringsbeslissing.
Verweerder, die in de “onder voorbehoud” genomen beslissing van 21 november 2017 aangaf dat verzoeker het bewijs van de beweerde aanverwantschap met M.A.W. zou kunnen leveren via een DNA-test indien verzoeker eerst een bottest onderging die zou toelaten het nut van een DNA-test te beoordelen, stelde in eerste instantie dat hij geen DNA-test zou opstarten omwille van het resultaat van de bottest.
Het is duidelijk dat verweerder verzoeker slechts wou toelaten tot een DNA-test om de afstamming van M.A.W. aan te tonen indien, op basis van een bottest, kwam vast te staan dat hij inderdaad minderjarig was op het ogenblik dat hij zijn visumaanvraag indiende. Indien zou blijken dat verzoeker meerderjarig was werd een verder onderzoek om vast te stellen of hij inderdaad de zoon van M.A.W. was immers overbodig. Artikel 10, § 1, 4° van de Vreemdelingenwet voorziet namelijk slechts in een recht op verblijf in functie van een ouder ten aanzien van kinderen die jonger zijn dan achttien jaar en uit de beslissing van 21 november 2017 blijkt dat verweerder ernstige twijfels had omtrent zowel de leeftijd (al dan niet minderjarig) als de precieze identiteit van verzoeker en I.A.S.R. (al dan niet verwant met M.A.W.).
Uit de bottest die verzoeker op 2 juli 2018 liet uitvoeren blijkt dat hij op dat ogenblik tussen de zeventien en de twintig jaar oud was. Er mag bovendien niet uit het oog worden verloren dat de leeftijd van verzoeker op het ogenblik dat hij een recht op verblijf liet gelden, en dus op het ogenblik dat hij de aanvraag tot afgifte van een visum type indiende, in aanmerking moet worden genomen (cf. HvJ 16 juli 2020, C-133/19, C-136/19 en C-137/19). De resultaten van de bottest laten bijgevolg niet toe om in redelijkheid te besluiten dat blijkt dat verzoeker op 15 juni 2017, de datum waarop hij zijn visumaan-vraag indiende, meerderjarig was en het derhalve niet meer zinvol was om een DNA-test te laten uitvoeren. De overweging dat verzoeker niet kan worden toegelaten “omwille van het resultaat van de [bot]test” is derhalve kennelijk onredelijk.
Verweerder leek zich bewust te zijn van het feit dat de eerste overweging op zich niet toeliet om verzoeker de toegang tot een bewijsregeling die kon leiden tot de vaststelling van een recht op verblijf te ontzeggen. In een tweede overweging stelde verweerder dan ook dat de weigering om verzoeker toe te laten tot de DNA-procedure “voornamelijk” is gebaseerd op de “overschrijding van de redelijke termijn voor het ondergaan van de bottest”. In dit verband moet worden gesteld dat verzoeker terecht opmerkt dat verweerder in de beslissing van 21 november 2017 nergens heeft bepaald dat slechts met de resultaten van een bottest rekening zou worden gehouden indien deze test binnen een bepaalde termijn werd uitgevoerd. Indien verweerder van oordeel was dat deze test binnen een bepaalde termijn diende te worden uitgevoerd dan had hij dit kunnen vermelden in voormelde beslissing. Er kan daarenboven niet worden ingezien waarom het feit dat verzoeker niet sneller deze test onderging een reden zou kunnen vormen om hem de toegang tot een wettelijk voorziene bewijsprocedure te ontzeggen. Het talmen van verzoeker kon er namelijk enkel toe leiden dat hij langer op een eindbeslissing diende te wachten en heeft geen echte impact ten aanzien van verweerder. Aangezien verweerder zelf meer dan vier maanden nodig had om te beslissen dat hij een botonderzoek vereist achtte en de resultaten van dit onderzoek minder dan acht maanden na de beslissing van 21 november 2017 – waarvan de kennisgevingsdatum niet formeel vaststaat – aan verweerder werden meegedeeld kan in casu ook niet worden gesproken van een onredelijk lange termijn. Het niet toelaten aan verzoeker om een DNA-test te ondergaan en aan te tonen dat hij een recht op verblijf geniet omdat hij pas acht maanden nadat werd beslist dat hij eerst een bottest moest ondergaan effectief deze test onderging is in casu kennelijk onredelijk. De beslissing om verzoeker de toegang tot een wettelijk bepaalde bewijsregeling te ontzeggen is, in voorliggende zaak, ook moeilijk verenigbaar met wat is bepaald in artikel 11, tweede lid van de Vreemdelingenwet.
Verzoeker kan worden gevolgd in zijn betoog dat de bestreden beslissing is gegrond op een incorrecte of kennelijk onredelijke beoordeling van de feiten.