Samenvatting
De verwerende partij verschijnt niet ter zitting, zodat het vermoeden geldt van instemming met de vordering, doch is de Raad niet gehouden op dat vermoeden in te gaan indien vaststaat dat niet voldaan is aan de ontvankelijkheids- of gegrondheidsvoorwaarden. Verzoeker vraagt een verblijfskaart aan al echtgenoot van een burger van de Unie, met voorlegging van de huwelijksakte en hij dient binnen de drie maanden na aflevering van de bijlage 19 ter zijn paspoort over te leggen. Er wordt evenwel enkel een geboorteakte en attest van nationaliteit overgemaakt, doch stelt het feit dat hij gehuwd is met een Belgische onderdaan, hem niet vrij van de voorwaarden van artikel 2 Vw. De vereiste documenten hebben tot doel een controle uit te oefenen met betrekking tot o.a. de identiteit, terwijl verzoeker niet kan aantonen dat hij degene is die met een Belgische onderdaan gehuwd is vermits geen paspoort wordt voorgelegd. Het vestigingsrecht kan hem dus niet erkend worden, hetgeen geen schending uitmaakt van artikel 8 EVRM nu de voorwaarde van identiteitsbewijs een doel nastreeft dat voorzien is als mogelijke uitzondering op het gezinsleven.