Samenvatting
Verzoeker werd veroordeeld tot een definitief geworden gevangenisstraf van vijf jaar. Bij ministerieel besluit van terugwijzing wordt verzoeker gelast het Belgisch grondgebied te verlaten, met verbod er gedurende tien jaar terug te keren. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat in haar geval een advies door de Commissie voor de Vreemdelingen diende te worden gegeven noch dat de bestreden beslissing diende te motiveren dat en waarom geen advies van deze Commissie is ingewonnen. In casu is er dan ook geen schending van art. 20 van de Vreemdelingenwet. De akte van kennisgeving vermeldt niet de termijn waarbinnen verzoekende partij het grondgebied moet verlaten. Een eventueel gebrek in de betekening tast de wettigheid van de beslissing echter niet aan en heeft geen invloed op het rechtmatig karakter van de genomen beslissing (RvS 21 maart 2005, nr. 142.408; RvS 4 juni 2002, nr. 107.293 en RvS 20 december 2001, nr. 102.154). In een tweede middel haalt verzoeker de schending aan van art. 8 van het EVRM. De Raad stelt in dit kader vast dat uit de bepalingen van het tweede lid van art. 8 EVRM blijkt dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven niet absoluut is en dat het een rechtmatige toepassing van de bepalingen van de Vreemdelingenwet dan ook niet in de weg staat. De bestreden maatregel is duidelijk gericht op het beschermen van de openbare orde, één van de doelstellingen die voorzien is in het tweede lid van art. 8 van het EVRM