Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 243.560 - 30-10-2020

Samenvatting

De verzoekende partij betoogt dat zij op 1 november 2017 in Duitsland gearresteerd werd ingevolge een seining voor een Belgische veroordeling, dat zij werd overgeleverd aan België en sindsdien in de gevangenis verblijft. Zij stelt dat in het kader van haar reclassering werd nagegaan of zij beschikte over een recht op verblijf in België, dat de strafuitvoeringsrechtbank hierover moest ingelicht worden daar bij geen recht op verblijf het elektronisch toezicht of een voorwaardelijke invrijheidsstelling uitgesloten is, dat de Dienst Vreemdelingenzaken op 22 januari 2018 liet weten aan de directeur van de gevangenis in Antwerpen dat de verzoekende partij beschikte over een recht op verblijf, dat gelet op deze informatie gestart werd met het uitwerken van een reclassering in België, dat op 31 juli 2018 de geldigheidsduur van haar vergunning verstreek tijdens haar detentie, dat zij sinds 1 november 2017 in hechtenis verbleef tot het activeren van het elektronisch toezicht op 12 maart 2020, dat zij tijdens tewerkstelling te horen kreeg dat haar vergunning diende verlengd te worden, dat gelet op artikel 33, §2, 2° van het Vreemdelingenbesluit zij de verlenging van haar C-kaart kon aanvragen na haar hechtenis. Zij stelt dat haar aanvraag tot verlenging om de één of andere reden geïnterpreteerd werd als een verzoek tot herinschrijving, dat het niet correct was om toepassing te maken van artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet, maar dat haar vergunning diende verlengd te worden conform artikel 33 van het Vreemdelingenbesluit. Zij wijst erop dat gelet op de bevestiging van de Dienst Vreemdelingenzaken op 22 januari 2018 dat zij nog steeds een geldig recht op verblijf had, zij erop mocht vertrouwen dat zij wel degelijk nog recht op verblijf had in België en dat zij gelet op artikel 33 van het Vreemdelingenbesluit na haar detentie de verlening van de vergunning kon aanvragen bij de gemeente. De verzoekende partij meent dat zij gelet op artikel 33 van het Vreemdelingenbesluit nog steeds gemachtigd was om in het Rijk te verblijven.
 
3.7. De Raad stelt vast dat de verzoekende partij zich in wezen hoofdzakelijk beperkt tot kritiek op de beslissing van 6 mei 2020 waarbij geen gunstig gevolg wordt gegeven aan haar vraag om herinschrijving of verlenging van haar verblijfskaart. Deze kritiek heeft zij reeds naar voren gebracht in haar beroep tegen voormelde beslissing. Bij arrest nr. 243 559 van 30 oktober 2020 heeft de Raad voormeld beroep verworpen. Er kan dan ook betreffende deze kritiek integraal verwezen worden naar voormeld arrest.
3.8. Ter volledigheid wijst de Raad op wat volgt.
 
Nog daargelaten de vaststelling dat uit de stukken van het administratief dossier, noch uit de stukken gevoegd bij het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij verzocht heeft om een verlenging van haar verblijfskaart en niet om een herinschrijving, stelt de Raad vast dat, zelfs wanneer de verzoekende partij zich aanmeldt bij de gemeente met een verzoek tot verlenging van haar verblijfskaart conform artikel 33, §2, 2° van het Vreemdelingenbesluit, het in casu niet kennelijk onredelijk is om na te gaan of de huidige verblijfstitel van de verzoekende partij nog geldig is. Immers is een verlenging van de verblijfstitel pas aan de orde indien de vreemdeling nog over een geldige verblijfstitel beschikt.
 
De verzoekende partij werd op 19 februari 2016 ambtshalve geschrapt uit het bevolkingsregister. Dit wordt door de verzoekende partij niet betwist. Conform artikel 39, §7 van het Vreemdelingenbesluit, wordt de verzoekende partij verondersteld het land te hebben verlaten, behoudens het bewijs van het tegendeel. Uit de motieven van de beslissing waarbij geen gevolg wordt gegeven aan haar vraag tot herinschrijving blijkt dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij zich na het voorstel van ambtelijke schrapping op 27 januari 2016 en voor begin 2018 nog op het grondgebied bevond.
 
Bijgevolg heeft de verblijfskaart van de verzoekende partij conform artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 35, tweede lid en 39, §7 van het Vreemdelingenbesluit twaalf maanden na 19 februari 2016, haar geldigheid verloren, tenzij de verzoekende partij voldaan heeft aan de verplichtingen voorzien in artikel 39.
 
De bepalingen van artikel 39 van het Vreemdelingenbesluit die betrekking hebben op een verblijf van langer dan twaalf maanden in het buitenland luiden als volgt:
 
“§ 3
De vreemdeling die houder is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning kan het recht op terugkeer uitoefenen na een afwezigheid van meer dan een jaar op voorwaarde dat hij:
1° vóór zijn vertrek bewezen heeft dat hij zijn hoofdbelangen in België behoudt en het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats kennis heeft gegeven van zijn voornemen om het land te verlaten en er terug te keren;
2° bij zijn terugkeer in het bezit is van een verblijfs- of vestigingsvergunning waarvan de geldigheidsduur niet verstreken is;
3° zich binnen vijftien dagen na zijn terugkeer aanmeldt bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.
(…)
§ 6
De vreemdeling die zich bij het gemeentebestuur aanmeldt om aangifte te doen van zijn vertrek om een bepaalde reden, wordt in het bezit gesteld van een attest overeenkomstig het model van bijlage 18”.
 
De verzoekende partij toont niet aan dat zij voor haar vertrek heeft meegedeeld dat zij een afwezigheid van meer dan één jaar beoogde en hiertoe heeft aangetoond dat zij haar hoofdbelangen in België behoudt, noch dat zij in het bezit werd gesteld van een bijlage 18.
 
In het kader van het onderzoek naar de geldigheid van de voorgelegde verblijfskaart werd aldus vastgesteld dat de verzoekende partij geen recht op terugkeer heeft conform artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet daar ingevolge het vermoeden in artikel 39, §7 van de Vreemdelingenwet de verzoekende partij het land heeft verlaten op 19 februari 2016 en er geen bewijzen van aanwezigheid zijn op het Belgische grondgebied na voormelde datum, daar de verzoekende partij begin 2018 in Duitsland verbleef.
 
De verblijfskaart van de verzoekende partij heeft conform artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet en artikel 35, tweede lid van het Vreemdelingenwet, twaalf maanden na 19 februari 2016, haar geldigheid verloren.
 
De verwerende partij kon aldus terecht besluiten dat de verzoekende partij niet in aanmerking komt voor het recht op terugkeer conform artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet.
 
De vaststelling dat er geen bewijzen zijn van na de ambtshalve schrapping van 19 februari 2016 van aanwezigheid op het grondgebied, daar de verzoekende partij begin 2018 in Duitsland verbleef, volstaat om op grond van artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet vast te stellen dat er geen recht op terugkeer is. Immers ingevolge voormelde bepaling vereist het recht van terugkeer, naast het houder zijn van een geldige Belgische verblijfs- of vestigingsvergunning, ook dat men minder dan één jaar het grondgebied heeft verlaten.
 
De vermelding op 22 januari 2018 van de verwerende partij aan de directeur van de gevangenis dat de verzoekende partij nog over een recht op verblijf beschikte, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk. Immers betreft het een loutere vermelding en blijkt niet dat de vaststelling dat de verzoekende partij over een recht op verblijf beschikte, geschiedde na een aanvraag om terug in de vorige administratieve toestand te worden gesteld of na een aanvraag tot het plaatsen in de vroegere toestand conform artikel 40 van het Vreemdelingenbesluit. Daarnaast wijst de Raad erop dat de ambtshalve schrapping op 19 februari 2016 niet wordt betwist, doch dat de loutere ambtshalve schrapping een administratieve maatregel is die op zich geen gevolgen heeft voor het behoud van het verblijfsrecht. Echter wordt de vreemdeling conform artikel 39, §7 van het Vreemdelingenbesluit wel verondersteld het grondgebied te hebben verlaten, behoudens het bewijs van het tegendeel. Op het ogenblik dat de verwerende partij de vraag krijgt van de gevangenisdirecteur naar de verblijfsstatus van de verzoekende partij kan verondersteld worden dat zij op de hoogte is van de ambtshalve schrapping op 19 februari 2016 maar dat zij eveneens op de hoogte is van het feit dat de verzoekende partij zich op dat ogenblik op het Belgische grondgebied bevindt. Er blijkt echter niet uit de stukken van het administratief dossier, en de verzoekende partij toont dit ook niet aan, dat de verwerende partij bij de vermelding op 22 januari 2018 op de hoogte was van de aanhouding van de verzoekende partij op 1 november 2017 in Duitsland met het oog op haar overlevering en aldus van het verblijf van de verzoekende partij in Duitsland eind 2017-begin 2018. Gelet op het feit dat op grond van het laatst genoemde gegeven blijkt, behoudens het bewijs van het tegendeel, dat de verzoekende partij langer dan één jaar van het Belgische grondgebied afwezig is geweest en de verwerende partij aldus van dit gegeven op 22 januari 2018 niet op de hoogte was, had de verwerende partij op 22 januari 2018 louter op grond van de ambtshalve schrapping van 19 februari 2016, te meer gelet op het gegeven dat de verzoekende partij zich op dat ogenblik op het Belgische grondgebied bevindt, dan ook geen reden om aan te nemen dat het verblijfsrecht van de verzoekende partij conform artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet en artikel 35, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit was komen te vervallen.
 
De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij, op het ogenblik dat geoordeeld dient te worden over een vernieuwing van een verblijfskaart, niet kan overgaan tot het beoordelen van de geldigheid van de voorgelegde verblijfs- of vestigingsvergunning op grond van de gegevens die haar op dat ogenblik bekend zijn. Zij toont niet aan dat in voormeld geval geen toepassing kon gemaakt worden van artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet.
 
De verzoekende partij toont evenmin aan dat het feit dat de strafuitvoeringsrechtbank de verzoekende partij op 12 maart 2020 onder elektronisch toezicht in vrijheid zou hebben gesteld, de vaststelling op 6 mei 2020 dat de verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarden van het recht op terugkeer en aldus, omwille van het feit dat op dat moment wordt vastgesteld dat zij niet over een geldige verblijfstitel beschikt, niet in haar vorige administratieve toestand kan worden geplaatst (en bijgevolg haar verblijfstitel niet kan worden verlengd) in de weg staat.
 
De Raad herhaalt dat wanneer een vreemdeling zich aanmeldt bij de gemeente met een verzoek tot verlenging van de verblijfskaart of een verzoek tot ‘inschrijving’ omdat de geldigheidsduur van de verblijfskaart vervallen is, het niet kennelijk onredelijk is na te gaan of de huidige verblijfstitel nog geldig is. Conform artikel 19, §1 van de Vreemdelingenwet en artikel 35 van het Vreemdelingenbesluit kan de geldigheid van een verblijfskaart vervallen, zodat de verwerende partij terecht op het niet voldoen aan de voorwaarden voor het recht van terugkeer kon wijzen in de beslissing naar aanleiding van de aanvraag tot ‘inschrijving’.
 
3.9. Hoewel de verzoekende partij kan gevolgd worden dat zij gelet op artikel 33 van het Vreemdelingenbesluit na haar detentie de verlenging van haar vestigingsvergunning kon aanvragen bij de gemeente, kan enkel vastgesteld worden dat de verwerende partij op het ogenblik van de aanvraag terecht is nagegaan of de voorgelegde verblijfskaart nog geldig is en besloten heeft, op grond van de elementen die haar op dat ogenblik bekend waren, dat gelet op het niet voldoen aan de voorwaarden van het recht op terugkeer de geldigheid van de voorgelegde verblijfstitel is komen te vervallen.
 
De verzoekende partij kan aldus niet dienstig laten uitschijnen dat zij louter omwille van het feit dat zij op grond van artikel 33 van het Vreemdelingenbesluit in de mogelijkheid was een verblijfskaart waarvan de geldigheidsduur vervallen was te verlengen op het ogenblik dat zij niet langer opgesloten is in een strafinrichting, nog steeds gemachtigd is om in het Rijk te verblijven. Met een dergelijk betoog gaat zij voorbij aan de vaststelling in de beslissing waarbij geen gunstig gevolg wordt gegeven aan haar aanvraag tot herinschrijving/verlenging van de verblijfskaart, dat de verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarden van het recht op terugkeer. De verzoekende partij beschikt bijgevolg niet langer over een geldige verblijfskaart omwille van het niet voldoen aan de voorwaarden van het recht op terugkeer, waardoor zij bijgevolg de verlenging ervan, niettegenstaande de bepalingen van artikel 33, §2, 2° van het Vreemdelingenbesluit, niet kon bekomen.
 
De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij in de bestreden beslissing op foutieve, kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld dat de verzoekende partij niet langer gemachtigd is om zich in het Rijk te vestigen en haar conform artikel 7, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet een bevel heeft afgeleverd.