Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 245.894 - 10-12-2020

Samenvatting

Verzoeker werd overeenkomstig artikel 1, F, (a) van het Vluchtelingenverdrag en artikel 55/2 van de Vreemdelingenwet uitgesloten van de vluchtelingenstatus, omdat hij bewust zou hebben bijgedragen aan misdaden tegen de menselijkheid en/of oorlogsmisdaden. Om dezelfde redenen werd op grond van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet ook geen subsidiaire bescherming toegekend.
Verzoeker, een Sri Lankaanse man, was lid van LTTE en werkte als bewaker in een gevangenenkamp dat viel onder de inlichtingendienst van de Zeetijgers (de marine-gevechtsafdeling van LTTE). Het is geweten dat deze dienst martelingen en folteringen uitvoerde. Door zijn betrokkenheid als bewaker, zou verzoeker, volgens de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, medeverantwoordelijk zijn voor en bewust hebben bijgedragen aan het folteren en mishandelen van gevangenen.
De Raad trekt het LTTE-lidmaatschap van verzoeker niet in twijfel en haalt aan dat blijkt dat personen die verdacht worden van banden met de LTTE, waaronder ook voormalige LTTE-strijders of andere medewerkers, zoals verzoeker, als een mogelijk risicoprofiel worden beschouwd. Verzoeker heeft dan ook een gegronde vrees voor vervolging indien hij naar zijn land van herkomst zou terugkeren.
Echter dient te worden nagegaan of verzoeker wel degelijk onder de toepassing van artikel 55/2 van de Vreemdelingenwet juncto artikel 1, F, (a) van het Vluchtelingenverdrag valt.
Artikel 1, F, (a) van het Vluchtelingenverdrag bepaalt dat de bepalingen van het verdrag niet van toepassing zijn op personen van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat zij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid hebben begaan.
Dit geldt niet enkel voor directe daders, maar ook voor medeplichtigen, voor zover deze hebben gehandeld met kennis van de praktijken en geen enkele omstandigheid hen van hun individuele verantwoordelijkheid vrijstelt. De medeplichtige moet een materiële bijdrage hebben geleverd, met een onmiddellijk effect op het misdrijf en de bedoeling hebben gehad dat het misdrijf werd gepleegd.
Wegens de zware gevolgen van de toepassing van artikel 1, F, (a) van het Vluchtelingenverdrag, dient de bepaling op een restrictieve wijze te worden geïnterpreteerd. Het moet met de grootste omzichtigheid en op beperkende wijze worden toegepast.
Volgens de Raad kan de commissaris-generaal dan ook niet louter op basis van vermoedens besluiten dat verzoeker medeplichtig is. De Raad haalt aan dat het dossier geen informatie bevat over folteringen en martelingen uitgevoerd in het specifieke kamp waar verzoeker als bewaker werkte. Daarnaast blijkt dat het takenpakket van verzoeker beperkt was tot het bewaken van het kamp, het bezorgen van voedsel aan de gevangenen, het heen en weer brengen van gevangenen van en naar hun verhoor en het onderscheppen van ontsnapte gevangenen. De restrictieve toepassing van artikel 1, F, (a) van het Vluchtelingenverdrag laat niet toe om in voorliggende zaak tot medeplichtigheid te besluiten. De vluchtelingenstatus wordt toegekend.