Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 246.626 - 22-12-2020

Samenvatting

De verzoekers geven in een eerste grief aan dat artikel 9bis van de Vreemdelingenwet in overeenstemming is met de mogelijkheid, zoals voorzien in artikel 6, lid 4, van de Terugkeerrichtlijn.
 
Artikel 6, lid 4, van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:
 
“De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.”
 
Daargelaten de vraag of de verzoekers zich rechtstreeks op een schending van deze bepaling kunnen beroepen, wijst de Raad er vooreerst op dat de Terugkeerrichtlijn overeenkomstig artikel 79, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tot doel heeft om op basis van gemeenschappelijke normen en juridische waarborgen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, kunnen worden teruggezonden (HvJ 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi, ptn. 38 en 87). De doelstelling van de Terugkeerrichtlijn is dus niet gelegen in het verkrijgen van een rechtmatig verblijf, maar in de terugkeer van derdelanders en dus in het beëindigen van het onregelmatig verblijf op het grondgebied van de lidstaten.
Artikel 6, lid 4, van de Terugkeerrichtlijn verplicht lidstaten niet tot het verlenen van verblijfsvergunningen aan illegaal verblijvende derdelanders (HvJ 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi, pt. 89), maar bepaalt enkel dat lopende terugkeerprocedures worden beëindigd en al uitgevaardigde terugkeerbesluiten of verwijderingsbesluiten moeten worden ingetrokken of geschorst wanneer een lidstaat beslist om een illegaal verblijvende derdelander een verblijfsvergunning te verlenen. Met andere woorden, dit artikel schetst enkel de verhouding tussen een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf die naar nationaal recht kan worden verleend aan een derdelander enerzijds en de aan de Terugkeerrichtlijn inherente, principiële verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen of uit te voeren (cf. de artikelen 6, lid 1, en 8, lid 1, van de Terugkeerrichtlijn) anderzijds.
 
In dezelfde zin heeft de Raad van State dienaangaande in een beschikking van 23 januari 2020 het volgende gesteld: "L’article 6.4. de la directive 2008/115/CE a pour seul objet d’aménager une exception à l’obligation, prescrite aux États membres par l’article 6.1. de la même directive, de prendre une décision de retour à l’encontre de tout ressortissant d’un pays tiers en séjour irrégulier sur leur territoire. L’article 6.4. de la directive 2008/115/CE permet aux États membres de ne pas prendre à l’encontre d’un ressortissant d’un pays tiers en séjour irrégulier une décision de retour, comme le requiert l’article 6.1., mais de lui accorder un titre de séjour autonome ou une autre autorisation conférant un droit de séjour". [vrije vertaling: artikel 6.4. van richtlijn 2008/115/EG heeft als enig doel een uitzondering te regelen op de verplichting, opgelegd aan de Lidstaten door artikel 6.1. van dezelfde richtlijn, om een terugkeerbesluit te nemen ten aanzien van elke derdelander in illegaal verblijf op hun grondgebied. Artikel 6.4 van richtlijn 2008/115/EG staat aan de lidstaten toe om ten aanzien van een derdelander in illegaal verblijf toch geen terugkeerbesluit te nemen, zoals vereist door artikel 6.1., maar hem een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven]. De Raad van State heeft tevens het volgende geoordeeld: "L’article 6.4. de la directive 2008/115/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 relative aux normes et procédures communes applicables dans les États membres au retour des ressortissants de pays tiers en séjour irrégulier ne régit en rien les conditions ou les modalités d’introduction d’une demande d’autorisation de séjour. L’article 9bis de la loi du 15 décembre 1980 ne s’inscrit nullement dans le cadre de la mise en oeuvre de cette disposition." [vrije vertaling: Artikel 6.4. van de Terugkeerrichtlijn regelt op geen enkele wijze de voorwaarden of modaliteiten voor het indienen van een aanvraag voor een verblijfsmachtiging. Artikel 9bis van de Vreemdelingenwet kan op geen enkele wijze worden beschouwd als een omzetting van die bepaling.] (zie: RvS 23 januari 2020, nr. 13.637 (c)).
 
De mogelijkheid om het verblijf van onregelmatig verblijvende derdelanders al dan niet te regulariseren door een verblijfsvergunning te verlenen, is een bevoegdheid waarin enkel de lidstaten regelgevend optreden. Dergelijke regularisaties maken niet het voorwerp uit van enige concrete secundaire EU-regelgeving. Artikel 9bis van de Vreemdelingenwet is dus een louter nationale bepaling die geen omzetting vormt van secundair Unierecht.
 
Bijgevolg kunnen de verzoekers zich in het kader van de voorliggende betwisting niet dienstig beroepen op artikel 6, lid 4, van de Terugkeerrichtlijn. Evenmin kunnen de verzoekers dienstig verwijzen naar artikel 12, lid 1, van de Terugkeerrichtlijn, dat betrekking heeft op het “terugkeerbesluit”, het “besluit betreffende het inreisverbod” en het “besluit inzake verwijdering”. De thans bestreden beslissing is geen van dezen. Ook de verwijzingen naar artikel 13 van de Terugkeerrichtlijn en naar de overwegingen 6 en 24 van de Terugkeerrichtlijn zijn niet dienstig. De Terugkeerrichtlijn bevat enkel de nadere, gemeenschappelijke, regels betreffende de terugkeer van onregelmatig verblijvende derdelanders. De beslissing, zoals in casu, om een louter nationaalrechtelijke verblijfsaanvraag onontvankelijk te verklaren, valt buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn.