Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 246.793 - 23-12-2020

Samenvatting

Het door verzoekster geviseerde motief is het volgende:
 
"Betrokkene haalt aan dat haar aanwezigheid, steun en opvang absoluut noodzakelijk zou zijn voor een menswaardig leven voor haar ex-echtgenoot. De studie van het administratief dossier toont effectief aan dat mijnheer D. K. niet in staat is om alleen te wonen en hulp nodig heeft. Echter betrokkene toont niet aan waarom deze hulp specifiek van haar zou moeten komen. Betrokkene toont ook niet aan dat mijnheer D. K. de absolute hulp van betrokkene nodig zou hebben. Mijnheer D. K. (en zijn bewindvoerders) kunnen te allen tijde beroep doen op verschillende zorginstanties die hulp aan huis bieden of op andere familieleden die alhier in België verblijven, en dit in afwachting dat betrokkene eventueel kan terugkeren naar België.”
 
De Raad stelt vooreerst vast dat de aanvraag die heeft geleid tot de eerste bestreden beslissing zich niet in het administratief dossier bevindt. Er kan dus niet worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met alle in het kader van de aanvraag naar voor gebrachte gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij daarbij niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld.
 
Dit klemt des te meer nu het administratief dossier wél een stuk bevat van de lokale politie betreffende de woonplaatscontrole van 26 juni 2019.
 
Luidens dit verslag werd verzoekster aangetroffen in de woning, samen met de heer K.D. Ook wordt erop gewezen dat de gemeenschappelijke zoon van beiden, E.D. bij hen woont, en is er sprake van de inschrijving van verzoeksters broer op dit adres. Er wordt toegelicht dat de heer K.D. in 2014 een ongeval heeft gehad en sedertdien in comateuze toestand in bed ligt, dat er constante bewaking nodig is door één van de familieleden en dat verzoekster niet werkt en de meeste zorgen voor haar man opneemt. Verder wordt er gesteld dat de thuisverzorging tweemaal per dag langs komt om hem te wassen en inspuitingen te geven en dat de overige verzorging zoals eten geven, pamper verversen, … wordt opgenomen door de familie. Vijf maal per week komt de kine langs om hem te masseren, zo blijkt ook nog uit het politieverslag.
 
Waar de verwerende partij in de bestreden beslissing van oordeel is dat mijnheer K.D. en zijn bewindvoerders te allen tijde beroep kunnen doen op verschillende zorginstanties die hulp aan huis bieden, blijkt dat thuisverzorging al twee keer per dag langskomt en dat K.D. volledig zorgbehoevend is, zodat niet blijkt dat nog meer thuisverzorging door derden mogelijk is dan nu reeds het geval is.
 
Waar de verwerende partij stelt dat een beroep kan worden gedaan op andere familieleden die in België verblijven in afwachting van een eventuele terugkeer naar België, moet worden vastgesteld dat het niet duidelijk is welke familieleden de verwerende partij bedoelt. In de mate dat zou worden gedoeld op de gemeenschappelijke zoon van verzoekster en K.D., E.D. die op hetzelfde adres woont, stelt de Raad vast dat ook in hoofde van de zoon een beslissing werd genomen tot het onontvankelijk bevinden van zijn aanvraag. In de mate dat op andere niet geïdentificeerde familieleden zou worden gedoeld, kan er in alle redelijkheid niet zonder meer worden van uitgegaan dat zorg voor de heer K.D door eenieder kan worden opgevangen. Zoals verzoekster terecht stelt, is er immers nood aan een constante zorg. Het politieverslag maakt weliswaar nog melding van de inschrijving van verzoeksters broer op het voormelde adres, maar uit niets kan worden afgeleid dat hij er ook daadwerkelijk verblijft, laat staan dat hij samen met de thuisverplegingsdiensten de permanente zorg zou kunnen opnemen voor de heer K.D.
 
Gelet op hetgeen voorafgaat, moet de eerste bestreden beslissing worden vernietigd.