Samenvatting
Uit zijn nota kan derhalve worden afgeleid dat verweerder niet betwist dat op hem een zekere verplichting rust om verzoekster uit te nodigen om bepaalde bewijsstukken voor te leggen, maar wel van oordeel is dat de door hem geformuleerde inlichtingen die hij wenste te verkrijgen volstonden en dat het aan verzoekster toekwam om alle relevante stukken aangaande de beëindiging van de relatie “(en het daarmee gepaard gaande partnergeweld)” over te maken.
Het door de Dienst Vreemdelingenzaken gevraagd samenwoonstverslag werd opgemaakt door de stad Antwerpen, op basis van een voorgedrukt formulier dat door de wijkagent werd ingevuld. Dit bevat een rubriek “Motief van de afwezigheid van de belanghebbende en indien mogelijk het bewijs hiervan” die door de wijkagent als volgt werd ingevuld “gescheiden: vrouw + kind-> ... (adres in Antwerpen)”. Dit verslag bevat geen andere voorgedrukte rubrieken die peilen naar partnergeweld. De wijkagent is blijkens het administratief dossier ook niet langsgegaan op het adres waar verzoekster verblijft om haar bijkomend te bevragen, hoewel hij haar adres had achterhaald. Zelfs als verzoekster de in punt 3.7. vermelde eerste brief van 16 oktober 2019 als dusdanig betekend kreeg – het administratief dossier bevat hiervan geen bewijs – en begreep dat de vraag voor een samenwoonstverslag, waaraan de vraag van het achterhalen van de reden van het gebrek aan samenwoonst gekoppeld was, aan haar gericht was – daar waar een samenwoonstverslag door de wijkagent wordt opgesteld zoals in casu – kan van verzoekster niet worden verwacht dat ze bij voormelde vraag spontaan zou denken aan het signaleren van partnergeweld, naast de verantwoording dat ze gescheiden is van de referentiepersoon.
Het komt niet aan de Raad toe om zich bij de beoordeling van de uitzonderingsgrond zoals voorzien in artikel 11, §2, vierde lid van de Vreemdelingenwet, in de plaats te stellen van verweerder. De Raad kan wel vaststellen dat verweerder in gebreke is gebleven verzoekster op zorgvuldige wijze te verzoeken alle nuttige bewijsstukken over te maken die de beëindigingsbeslissing kunnen beïnvloeden of verhinderen. Verzoekster heeft aangetoond dat ze belang heeft bij haar kritiek, vermits minstens stuk 3 gevoegd aan het verzoekschrift mogelijk wijst op partnergeweld en dateert van voor het treffen van de bestreden beslissing. Het is dus niet uitgesloten dat het een invloed op de totstandkoming van de bestreden beslissing zou kunnen hebben gehad. Het motief in de bestreden beslissing “betrokkene voldoet evenmin aan de uitzonderingsgrond zoals voorzien in het vierde lid van art. 11, §2. Nergens uit het dossier blijkt daarvan sprake te zijn”, is derhalve gestoeld op een onzorgvuldig onderzoek van verweerder, een vaststelling die de Raad vermag te doen. Verweerder wordt dus niet verweten geen rekening te hebben houden met bewijsstukken die slechts voor het eerst bij het verzoekschrift werden gevoegd, waarop hij in zijn nota de nadruk de legt.
Gelet op bovenstaande heeft verzoekster aangetoond dat verweerder op onzorgvuldige wijze heeft gehandeld in het kader van de in artikel 11, §2, vierde lid van de Vreemdelingenwet voorziene uitzonderingsgrond. Deze vaststelling leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, zodat een onderzoek van het tweede middel zich niet opdringt.