Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 249.493 - 22-02-2021

Samenvatting

Wat betreft het privéleven van verzoekers zelf, waar zij vervolgens op wijzen, kan moeilijk ontkend worden dat een totale duur van 5 jaar en 10 maanden voor de behandeling van twee verzoeken om internationale bescherming eerder lang is. Echter zoals verzoekers zelf aanstippen, geeft een behandelingsperiode van internationale beschermingsverzoeken niet ipso facto recht op verblijf. Tegelijk kan ook niet ontkend worden dat verzoekers reeds verschillende bevelen om het grondgebied te verlaten hebben ontvangen en naast zich neergelegd. Verzoekers hebben een punt dat door de gemachtigde wel op ernstige wijze moet rekening gehouden worden met het privéleven en gezinsleven dat verzoekers ondertussen hebben opgebouwd, aangezien inderdaad de behandelingsduur van verzoeken van internationale bescherming tot de verantwoordelijkheid behoort van de staat. Echter, het komt wel aan verzoekers toe aan te geven in de aanvraag waarom het door hen opgebouwde gezins- en privéleven hen verhindert om de aanvraag in te dienen bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland. In casu herhaalt de Raad dat in de aanvraag van 11 januari 2019 aangaande de buitengewone omstandigheden, enkel was gewezen op het feit dat verzoeksters broer in ons land erkend is als staatloze en dat bijgevolg het verplichten van verzoekers om de aanvraag te doen in Libanon, strijdig is met artikel 8 van het EVRM. Thans komen verzoekers in het verzoekschrift niet terug op verzoeksters, als staatloze erkende broer.
 
Daarnaast blijkt dat de gemachtigde hoe dan ook is ingegaan op het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, maar van oordeel is dat de plicht om de aanvraag in te dienen in het herkomstland niet in disproportionaliteit staat ten aanzien van het recht op een gezins- of privéleven, omdat verzoekers niet definitief gescheiden zullen worden van hun familie en sociale contacten waardoor deze scheiding geen onherstelbare of ernstige schade met zich meebrengt. De gemachtigde verwijst daarbij naar rechtspraak van de Raad van State in die zin. Specifiek met betrekking tot het privéleven, wijst de gemachtigde op de banden die verzoekers nog hebben of kunnen geacht worden te hebben in Libanon, aangezien verzoeker daar ruim 25 jaar verbleef en is geboren en getogen en ook verzoekster voor haar vertrek naar België gedurende 10 jaar in Libanon verbleef. De gemachtigde is van oordeel dat de in België opgebouwde banden in geen geval kunnen vergeleken worden met de relaties in Libanon. De Raad erkent dat verzoekers zich reeds lang op Belgisch grondgebied bevinden, waarvan toch 5 jaar en 10 maanden in legaal verblijf, doch meent dat de afweging die de gemachtigde heeft gemaakt in het licht van het privéleven en gezinsleven van verzoekers niet als kennelijk onredelijk of als kennelijk disproportioneel kan worden aangemerkt in het licht van de vraag die thans aan de orde is, nl. of van verzoekers redelijkerwijs kan verwacht worden dat zij de aanvraag indienen bij de bevoegde diplomatieke of consulaire post. Waar verzoekers aanstippen dat in de praktijk humanitaire regularisaties worden uitgevoerd door de gemachtigde in geval van een internationale beschermingsprocedure die 4 jaar aansleept, of 3 jaar met schoolgaande kinderen, kan de Raad alleen maar met verzoekers vaststellen dat die instructie, waar impliciet nog toepassing van zou gemaakt worden door de gemachtigde, werd vernietigd. Verzoekers kunnen zich er dan ook niet op beroepen, ook niet op impliciete wijze. Bovendien wijst de gemachtigde er terecht op dat de aangehaalde elementen inzake het opgebouwde privéleven, zijnde het langdurig verblijf sedert 2011, de taallessen, cursus maatschappelijke oriëntatie, attest van inburgering, de beroepsopleiding van verzoeker, het getuigschrift van de VDAB, het feit dat verzoeker gewerkt heeft, thans ook vrijwilligerswerk doet en verschillende getuigenverklaringen werden voorgelegd eerder het voorwerp uitmaken van het onderzoek ten gronde. Bij wijze van conclusie meent de Raad dat het standpunt van verzoekers dat de gemachtigde op kennelijk onredelijke wijze het gezins- en privéleven dat zich heeft ontwikkeld tijdens de eerder lange beschermingsprocedures heeft beoordeeld, niet kan gevolgd worden.
 
Een schending van artikel 8 van het EVRM of artikel 7 van het Handvest wordt niet aangenomen.
 
Het eerste onderdeel is ongegrond.
 
Wat betreft het tweede onderdeel van het middel stelt de Raad vast dat verzoekers thans voor het eerst bij het verzoekschrift een rapport voegen van the Danish Immigration Service van maart 2020 aangaande de problematiek voor (bijzonder moeilijke) terugkeer van uitgeprocedeerde Palestijnse verzoekers van internationale bescherming naar Libanon, zoals in casu verzoekster. Gezien het rapport in maart 2020 werd uitgebracht, konden verzoekers dit rapport niet bij het indienen van de aanvraag voorleggen, doch de bestreden beslissingen werden pas genomen op 16 september 2020, zodat verzoekers ruimschoots de mogelijkheid hadden dit rapport aan de gemachtigde voor te leggen voor het nemen van de bestreden beslissingen. Anders dan verzoekers voorhouden, betreft dit rapport geen feit van algemene bekendheid waarmee de gemachtigde had moeten rekening houden bij de beoordeling van de buitengewone omstandigheden. Dezelfde opmerking kan gemaakt worden wat betreft de verwijzingen van verzoekers naar recente COI documenten van het CGVS over de moeilijke situatie voor de organisatie UNWRA, die weliswaar op een publieke website kunnen geconsulteerd worden, maar waarvan niet kan verwacht worden dat de gemachtigde uit eigen beweging deze opzoekingen gaat doen. Indien verzoekers van oordeel zijn dat de situatie in het UNWRA - gebied recent zeer slecht is geëvolueerd en van verzoekster omwille van die recente evolutie niet langer kan verwacht worden dat zij zich terug onder de bescherming van UNWRA moet plaatsen, staat het haar vrij een nieuw internationaal beschermingsverzoek in te dienen op grond van onder meer de recente COI focus van 21 augustus 2020. Ook indien verzoekers van oordeel zijn dat de informatie van het voormelde rapport van de Danish Immigration Service, aangaande onder meer de vaststelling dat sedert mei 2018 er geen Europees land nog in geslaagd zou zijn een uitgeprocedeerde Palestijnse verzoeker van internationale bescherming terug te sturen naar Libanon, een ander licht kan werpen op de buitengewone omstandigheden die zouden kunnen rechtvaardigen dat de aanvraag alsnog in België wordt ingediend, staat het hen vrij in die zin een nieuwe aanvraag in te dienen. De Raad kan evenwel al die door verzoekers aangehaalde rapporten in het tweede onderdeel niet in de beoordeling betrekken gezien zijn ex tunc-bevoegdheid, omdat op geen enkele wijze naar die rapporten is verwezen in de aanvraag, noch later, toen ze werden uitgebracht ter kennis gebracht zijn aan de gemachtigde voor het nemen van de bestreden beslissingen. Zoals gezegd aanvaardt de Raad niet dat deze rapporten feiten van algemene bekendheid zijn. Het behoorde tot de zorgvuldigheidsplicht van verzoekers om hun aanvraag met deze relevante informatie te actualiseren voor het nemen van de bestreden beslissingen, daar de bewijslast aangaande het aanvoeren van de buitengewone omstandigheden in de eerste plaats op verzoekers rust.
 
Waar verzoekers met de verwijzing naar het mensonwaardig bestaan in UNWRA-gebied lijken te doelen op een schending van artikel 3 van het EVRM, bepaling die ze overigens enkel bij de middelen tot schorsing hebben aangevoerd, herhaalt de Raad dat verzoekers het hebben nagelaten om via een actualisatie op de evolutie in het UNWRA-gebied te wijzen, zodat het geen gebrek aan zorgvuldigheid is van de gemachtigde dat hij hierover niet heeft gemotiveerd. Bijkomend en ten overvloede wijst de Raad erop dat verzoekster in de specifieke situatie zit dat zij gehuwd is met een Libanese onderdaan, die volgens een getuigenis (stuk 26) gevoegd bij de aanvraag universitair geschoold is evenals verzoekster zelf, en dat de thans bestreden beslissingen niet strekken tot een definitieve terugkeer naar Libanon.