Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 249.979 - 25-02-2021

Samenvatting

Op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing is het inderdaad zo dat de Kroatische autoriteiten het terugnameverzoek van de Belgische autoriteiten hadden ingewilligd, maar de verwerende partij kon op grond van dit element alleen niet de absolute zekerheid hebben dat verzoekers daadwerkelijk aan de Kroatische autoriteiten zouden worden overgedragen en dat Kroatië dus kon worden beschouwd als land van verblijf in de zin van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. Dit wordt aangetoond door het – weliswaar na de bestreden beslissing tot stand gekomen – feit dat verzoekers’ verzoeken tot internationale bescherming ondertussen worden behandeld door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen omdat de termijn voor overdracht aan de Kroatische autoriteiten is verstreken.
 
Doordat de verwerende partij ervoor opteert om de door verzoekers ingediende aanvraag om verblijfsmachtiging om medische redenen exclusief te behandelen in het licht van de situatie in Kroatië en niet ook in het licht van de door verzoekers in deze aanvraag aangehaalde situatie in hun land van herkomst, Jemen, is de verwerende partij tekort geschoten in haar zorgvuldigheidsplicht (cf. RvV 29 juli 2020, nr. 239 137 en RvS 10 november 2020, nr. 14.039 (c), beschikking waarbij het beroep tegen voormeld arrest niet toelaatbaar werd verklaard). In de beschikking van de Raad van State kan worden gelezen: “Le Conseil du contentieux des étrangers n’annule pas l’acte administratif litigieux sur la base d’éléments postérieurs a celui-ci dont le requérant ne pouvait avoir connaissance au moment de décider. Il juge que l’acte attaque est insuffisamment motive quant à la disponibilité et l’accessibilité des soins nécessaires dans le pays d’origine, que la partie adverse contestait pourtant expressément dans sa demande d’autorisation de séjour, et alors qu’au jour de la prise de l’acte attaque, malgré l’acceptation précitée des autorités italiennes, le requérant ne pouvait avoir « une certitude absolue » de l’effectivité d’un transfert vers l’Italie. Le premier moyen manque manifestement en fait.”
 
In de nota met opmerkingen werd gesteld: “Volledigheidshalve laat verweerder gelden dat de arts-adviseur terecht heeft geoordeeld dat Kroatië het land van verblijf is voor de verzoekende partij.  Verweerder merkt op dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekende partij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Om die reden werd een verzoek tot overname gericht aan de Kroatische autoriteiten, die zich op 06.01.2020 uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard met de terugname van de verzoekende partij.  Kroatië is derhalve de verantwoordelijke lidstaat voor de behandelding van de asielaanvraag van de verzoekende partij (gegeven waarmee ze uitdrukkelijk hebben ingestemd).  De arts-adviseur ging derhalve geheel terecht na of de medische zorgen en opvolging beschikbaar en toegankelijk zijn in Kroatië.  Om die reden kan de verzoekende partij niet worden gevolgd alwaar zij voorhoudt dat de medische behandeling niet beschikbaar en toegankelijk is in Jemen.” Bij zijn verzoek tot horen benadrukte verweerder zoals gezegd dat hem niet kan worden verweten geen rekening te hebben gehouden met elementen die dateren van na het treffen van de bestreden beslissing.
 
Dit alles kan geen afbreuk doen aan het gestelde in de punten 1.6 en 1.7. Dit geldt ook voor het arrest van de Raad van State van 14 januari 2021 met nr. 249.487 waarnaar verweerder bij zijn verzoek tot horen verwijst. Het betreft immers een andere feitelijke situatie: de verzoekende partij van Kameroense origine had een aanvraag om verblijfsmachtiging om medische redenen ingediend in België, had een (niet verlengde) permanente verblijfstitel voor Italië gevoegd bij haar aanvraag en gesteld dat ze niet kon terugkeren naar Italië omwille van medische redenen. De Raad van State casseerde het arrest van de Raad dat de beslissing van verweerder had vernietigd omdat hij de medische aanvraag niet had beoordeeld in het licht van de situatie in Kameroen. In haar aanvraag om verblijfsmachtiging had de verzoekende partij immers niet gesteld dat Italië niet kon worden beschouwd als land van verblijf noch dat ze haar verblijfrecht in Italië was verloren, aldus de Raad van State.
 
De beschikking blijft dan ook overeind in haar conclusie. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. Deze vaststelling leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.