Samenvatting
Aangezien de verwerende partij uitdrukkelijk stelt dat er nergens sprake is van andere gezinsleden (dan deze besproken in de bestreden beslissing, namelijk de vorige en de huidige feitelijke partner) in België, is het zonder meer duidelijk dat er bij de belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM geen rekening werd gehouden met haar minderjarige dochter.
Nochtans blijkt uit het administratief dossier dat de verwerende partij wel degelijk op de hoogte diende te zijn van het bestaan van deze dochter. Zo wordt op de loonfiches die door de verzoekende partij worden voorgelegd minstens één maal een kind aangegeven. Daarnaast bevat het administratief dossier dat door de verwerende partij werd voorgelegd een uittreksel uit het geboorteregister en een attest van gezinssamenstelling, waarop duidelijk de verzoekende partij als vader wordt vermeld. Ook bevat het administratief dossier een op 6 augustus 2015 door de verwerende partij opgesteld synthesedocument waarin wordt gesproken over een gemeenschappelijk kind. Ten slotte nam de verwerende partij zelf op 20 april 2015 een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden ten aanzien van de verzoekende partij die een aanvraag voor verblijf in functie van het bewuste minderjarige kind had ingediend.
Opmerkelijk is ook dat de verwerende partij in de bestreden beslissing aangeeft dat zij de gezinssituatie analyseert deels aan de hand van gegevens uit het administratief dossier en deels aan de hand van stukken die door de verzoekende partij werden voorgelegd, en ondanks voorgaande aangehaalde stukken die in het administratief dossier aanwezig zijn besloot dat er geen andere gezinsleden in België zijn dan de toenmalige en huidige partner van de verzoekende partij.
In zoverre de verwerende partij aangeeft dat zij ondanks de uitnodiging van 21 januari 2020 aan de verzoekende partij om relevante stukken in het kader van het onderzoek naar de mogelijke beëindiging van haar verblijfsrecht voor te leggen niet op de hoogte werd gesteld van het bestaan van het minderjarig kind, kan de Raad de verwerende partij in se hierin ook volgen, doch in het voorliggende geval kan gelet op het voorgaande niet worden aangenomen en toont de verwerende partij ook niet aan dat zij op het ogenblik van de bestreden beslissing redelijkerwijze geen kennis kon hebben van het feit dat de verzoekende partij, in tegenstelling tot hetgeen wordt gesteld in de bestreden akte, wel degelijk een kind had met haar toenmalige partner in functie van wie zij het verblijfsrecht bekwam. In dit kader dient tevens te worden benadrukt dat de thans bestreden beslissing de beëindiging van een duurzaam verblijfsrecht als familielid van een burger van de Unie betreft. Het gaat dus niet om een beslissing die wordt getroffen in antwoord op een aanvraag die door de verzoekende partij werd ingediend, maar om een beslissing die de verwerende partij op eigen initiatief heeft genomen en waarbij de vreemdelingenwet zelf uitdrukkelijk voorziet dat in dergelijk geval rekening moet worden gehouden met de gezinssituatie van de betrokken vreemdeling, hetgeen inhoudt dat een belangenafweging wordt gevoerd waarbij een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens gezin enerzijds, en het algemeen belang van de Belgische samenleving bij het voeren van een migratiebeleid en het handhaven van de openbare orde anderzijds. Bij deze afweging moeten alle relevante feiten en omstandigheden die het bestuur kenbaar zijn of zouden moeten zijn, worden afgewogen. Hoewel het belang van de eventuele jonge minderjarige kinderen van de betrokken vreemdeling op zich nog niet decisief is, moet in deze afweging wel een belangrijk gewicht worden toegekend aan het hoger belang van het kind.
De Raad stelt vast dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij – weliswaar op grond van een verkeerd wetsartikel zoals de verwerende partij in de bestreden beslissing ook aangeeft - op de hoogte werd gesteld van het gegeven dat haar verblijfssituatie zou worden onderzocht en dat de mogelijkheid bestond dat dit verblijfsrecht zou worden beëindigd. In het kader van dit verblijfsonderzoek werd de verzoekende partij in de mogelijkheid gesteld om haar situatie te duiden en stukken voor te leggen, wat zij ook deed – zoals in de bestreden beslissing wordt aangegeven legde zij een paspoort en loonfiches voor. Zij liet in het kader van dit onderzoek na stukken voor te leggen omtrent haar in België verblijvend kind.
Alhoewel in deze dus ook aan de verzoekende partij enig gebrek aan zorgvuldigheid kan worden verweten, neemt dit niet weg dat in de bestreden beslissing wel degelijk wordt ingegaan op tal van andere elementen die haar gezinssituatie kenmerken, zoals het feit dat de relatie op grond waarvan zij een verblijfsrecht bekwam intussen werd beëindigd en dat er sprake is van een nieuwe relatie. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de feitelijke gegevens omtrent de nieuwe relatie door de verwerende partij op autonome wijze werden vergaard – de verwerende partij geeft in de bestreden beslissing zelf ook aan dat zij de gezinssituatie heeft geanalyseerd deels op basis van de gegevens zoals die blijken uit het administratief dossier en deels op basis van de stukken die door de verzoekende partij werden voorgelegd. Nochtans bleek zoals hoger werd uiteengezet uit het administratief dossier duidelijk dat de verzoekende partij vader is van een in België verblijvend minderjarig kind, maar hierover stelt de verwerende partij niets in haar beslissing, noch blijkt dat zij dit gegeven meenam in haar beslissingsproces. Meer zelfs, zij stelt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat er naast de toenmalige en huidige partner geen sprake is van in België verblijvende gezinsleden.
Daar waar de diensten van de verwerende partij er blijkbaar wel zijn in geslaagd om op eigen beweging te achterhalen dat de verzoekende partij een relatie heeft met een in België verblijvende vrouw en aangezien zij tevens op zeer concrete wijze de verdere familiale situatie heeft kunnen weergeven, is de Raad van oordeel dat hieruit reeds blijkt dat de verwerende partij op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing tevens had kunnen en moeten weten dat de verzoekende partij een dochter heeft met zijn toenmalige vriendin.
Gelet op de rechtspraak van het EHRM (onder meer het arrest Jeunesse), waaruit blijkt dat een belangrijk gewicht moet worden toegekend aan het hoger belang van het kind, had de verwerende partij in de eerste plaats moeten nagaan of de verzoekende partij in België al dan niet minderjarige kinderen heeft. Er valt, gelet op hetgeen voorafgaat, niet in te zien waarom de verwerende partij hiertoe louter afhankelijk zou zijn van het antwoord van de verzoekende partij inzake het verblijfsonderzoek. Dit blijkt overigens ook reeds uit de motieven van de bestreden beslissing zelve. Immers wordt uitdrukkelijk en op stellige wijze vastgesteld dat er geen andere gezinsleden in België verblijven. Hoewel deze vaststelling niet strookt met de thans voorliggende gegevens, blijkt hieruit wel degelijk dat de verwerende partij in weerwil van het stilzitten van de verzoekende partij toch uit eigen beweging heeft onderzocht, weliswaar op onzorgvuldige wijze, of de verzoekende partij in België een vaste partnerrelatie heeft ontwikkeld. De verwerende partij kan zich in voorliggende zaak dan ook niet verschuilen achter het gegeven dat de verzoekende partij naliet haar ervan op de hoogte te stellen dat zij vader is van een in België verblijvend minderjarig kind.