Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 250.255 - 2-03-2021

Samenvatting

Door in de bestreden beslissingen te motiveren dat de verzoekende partijen de verwantschaps- of afstammingsband niet aannemelijk maken schendt de verwerende partij dus duidelijk het gezag van gewijsde van voornoemd arrest. De verwerende partij heeft in het geheel geen rekening gehouden met voornoemd arrest bij het nemen van de vier bestreden beslissingen.
 
In het vernietigingsarrest van 26 mei 2020 gaf de Raad reeds aan dat de verwerende partij over de mogelijkheid beschikt om een DNA test te laten uitvoeren, zo zij twijfelt aan de afstammingsband. In de huidige bestreden beslissingen lijkt de verwerende partij aan te geven dat zij bereid is om een DNA-procedure op te starten. Evenwel koppelt het opstarten van de procedure aan de noodzaak om binnen de 6 maanden een medisch attest en uittreksel uit het strafregister voor te leggen.
 
Niettegenstaande de verwerende partij in de bestreden beslissingen aangeeft dat de verzoekende partijen 6 maanden de tijd hebben om bijkomende documenten neer te leggen, neemt zij meteen een weigeringsbeslissing. Dit is kennelijk onredelijk. Hiermee wordt een schending van het redelijkheidsbeginsel aannemelijk gemaakt.
 
Verder kunnen de verzoekende partijen worden gevolgd waar zij stellen dat zij niet begrijpen waarom het opstarten van een DNA procedure gekoppeld dient te worden aan het voorleggen van medische attesten en een uittreksel van het strafregister. Het ene staat volledig los van het andere.
 
Wel is het zo dat artikel 10 van de Vreemdelingenwet vermeldt:
 
“Alle in § 1 bedoelde vreemdelingen moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.”
 
Evenwel blijkt dat de verzoekende partijen bij hun aanvraag reeds medische attesten hadden neergelegd. Aldus werd reeds voldaan aan deze voorwaarde. Indien de verwerende partij meent dat er thans nieuwe medische certificaten vereist zijn omdat er ten gevolge van het vernietigingsarrest van de Raad meer dan zes maanden verstreken zijn sedert de aanvraag, dan had ze dit moeten opvragen alvorens een weigeringsbeslissing te nemen.
 
Wat betreft het uittreksel van het strafregister blijkt dat dit niet werd vermeld in de eerste weigeringsbeslissingen. Bovendien blijkt uit een email van 11 februari 2020 dat de advocaat van de verzoekende partij een uittreksel uit het strafregister voor mevrouw S.H. overmaakte aan de verwerende partij. Het is niet duidelijk waarom met dit attest geen rekening werd gehouden. Bovendien vereist artikel 10 van de Vreemdelingenwet evenmin dat er een uittreksel van het strafregister wordt neergelegd. De verwerende partij kan dergelijk document wel opvragen om zich ervan te vergewissen dat de verzoekende partijen geen gevaar uitmaken voor de openbare orde. Evenwel is het zoals hiervoor reeds gesteld kennelijk onredelijk om reeds een weigeringsbeslissing te nemen alvorens de opgegeven termijn voor het neerleggen van dergelijke documenten af te wachten.
 
De verzoekende partijen maken de schending van het redelijkheidsbeginsel aannemelijk.