Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 250.311 - 3-03-2021

Samenvatting

Er blijkt evenwel niet dat de gemachtigde in de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat verzoeker zich bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° bedoelde gevallen, noch stelt de gemachtigde dat een van de vereiste documenten niet werd overgelegd.
 
Er wordt evenmin betwist dat artikel 58 van de Vreemdelingenwet een omzetting vormt van de artikelen 7 en 11 van Richtlijn 2016/801 en dat deze laatste de Richtlijn 2004/114/EG heeft ingetrokken. Blijkens de concordantietabel bij Richtlijn 2016/801 blijkt inderdaad dat de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2004/114/EG werden omgezet in de artikelen 7 en 11 van Richtlijn 2016/801. Verzoeker kon zich bijgevolg beroepen op de uitlegging die het Hof van Justitie heeft gegeven van de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2004/114/EG in het arrest Ben Alaya.
 
In principe vereist artikel 58 van de Vreemdelingenwet, gelezen in het licht van het voormelde arrest Ben Alaya, en blijkens de bewoordingen van voormeld artikel, dat de machtiging tot verblijf “moet” toegekend worden indien aan alle voorwaarden is voldaan, die in die bepaling uitputtend worden geregeld.
 
Echter, zoals eveneens blijkt uit de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie, en hetgeen evenmin betwist wordt door de partijen, kan een studentenvisum eveneens worden geweigerd in geval van fraude ofwel indien er “misbruik of verkeerd gebruik van de procedure blijkt”, of met andere woorden indien er nauwkeurige en concrete aanwijzingen zijn voor misbruik of oneigenlijk gebruik. De voormelde wetsbepaling staat er dus niet aan in de weg dat de gemachtigde kan nagaan of de verzoeker effectief de bedoeling heeft om te studeren in België, hetgeen zou kunnen leiden tot de vaststelling dat er een eventuele manifeste afwezigheid is van die intentie.
 
Het is duidelijk dat de gemachtigde doelt op misbruik in hoofde van verzoeker om de bestreden beslissing te motiveren nu hij concludeert dat “alles […] erop [wijst] dat betrokkene de procedure van de studiemigratie wil aanwenden voor andere migratiedoeleinden.”
 
Beide partijen zijn het er eveneens over eens dat de gemachtigde op basis van de vragenlijst heeft geoordeeld dat verzoeker geen duidelijke en concrete visie heeft op wat hij gaat doen en dit er volgens de gemachtigde op wijst dat verzoeker andere migratiedoeleinden heeft.
 
De Raad stelt ook vast dat dit uit de bestreden beslissing blijkt, nu een doorslaggevend belang wordt gehecht aan de wijze waarop de studentenvragenlijst werd ingevuld. De gemachtigde stelt dat die nauwelijks werd ingevuld en dat er geen antwoord werd verschaft op essentiële vragen aangaande het verband tussen de reeds gevolgde studies en de geplande toekomstige studies, het overzicht van de gevolgde secundaire studies met resultaten ontbreekt, evenals de schets aangaande het geplande studieproject in België. Over de antwoorden die wel werden gegeven, zegt de gemachtigde dat die nietszeggend en algemeen zijn.
 
Verzoeker op zijn beurt betwist dan weer dat uit de wijze waarop de vragenlijst werd ingevuld en dit in samenlezing met de transcriptie van het gesprek dat met verzoeker heeft plaats gevonden op 17 september 2020 kan afgeleid worden dat er klaarblijkelijk sprake is van fraude. Hij meent dat niet blijkt dat er nauwkeurige en concrete aanwijzingen zijn die aantonen dat hij een andere intentie heeft dan de intentie om in België te komen studeren.
 
De Raad moet evenwel vaststellen dat de “studentenvragenlijst” waarop de gemachtigde zich op doorslaggevende wijze steunt, zich niet in het administratief dossier bevindt. Dit betreft nochtans in casu een cruciaal stuk. Er ligt enkel een stuk voor aangaande het negatief advies van de ambassade waarin een opsomming wordt gemaakt van de stukken die verzoeker heeft voorgelegd bij de aanvraag, waarin wel sprake is van een “questionnaire” en waarbij vervolgens inderdaad een transcriptie wordt weergegeven van een gesprek met verzoeker dat op 17 september 2020 lijkt plaats gevonden te hebben. De al dan niet gebrekkig ingevulde vragenlijst zelf ligt niet voor. De Raad is dan ook in de onmogelijkheid om de aangevoerde schendingen te beoordelen en na te gaan of de gemachtigde is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot zijn beslissing is gekomen.
 
Daar de administratie deze determinerende informatie niet ter beschikking van de Raad gesteld heeft, maakt ze de wettigheidscontrole op haar beslissing onmogelijk (RvS 17 februari 1998, nr. 71.867).
 
De vernietiging van de bestreden beslissing dringt zich dan ook op.