Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 250.474 - 4-03-2021

Samenvatting

Het enige motief in de bestreden beslissing om de overdrachtstermijn te verlengen is dat verzoeker niet de intentie heeft om te vertrekken. De verwerende partij heeft dat afgeleid uit het gegeven dat op de voormelde verklaring betreffende de organisatie van de reis waarop het vakje werd aangekruist: “Je ne désire pas me rendre dans l’état responable du traitement de ma demande d’asile.” (vrij vertaald: ik wens niet terug te keren naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van mijn asielaanvraag).
 
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Jawo (HvJ 19 maart 2019, C-163/17, §§ 53-55) geoordeeld dat de verordening nr. 604/2013 “[a]angaande de vraag onder welke omstandigheden ervan kan worden uitgegaan dat de verzoeker „ondergedoken is” in de zin van artikel 29, lid 2, tweede zin, van de Dublin III-verordening, […] geen nadere toelichting verstrekt” ; dat deze verordening geen definitie van het begrip “onderduiken” bevat en “dat wanneer een bepaling van Unierecht voor een bepaald begrip niet naar het recht van de lidstaten verwijst, dat het begrip in de gehele Unie autonoom en uniform [moet worden] uitgelegd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook met haar context en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 8 maart 2018, DOCERAM, C-395/16, EU:C:2018:172, punt 20 en de aldaar aangehaalde rechtspraak)”.
 
(…)
 
Uit deze rechtspraak blijkt onder meer dat het verlengen van de termijn voor overdracht van zes naar achttien maanden een uitzondering betreft, en dus restrictief moet worden toegepast. Verder blijkt ook dat er een intentioneel element (het zich doelbewust onttrekken aan de overdrachtsprocedure) is vereist om te kunnen besluiten dat een vreemdeling onderduikt en dat dit intentioneel element wordt vermoed te bestaan indien de betrokken vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen terwijl hij geïnformeerd was over deze verplichting.
 
In de bestreden beslissing wordt niet vastgesteld dat, zelfs niet gerefereerd aan het feit dat verzoeker zijn woonplaats heeft verlaten, zodat het vermoeden waarvan sprake is in bovenvermeld arrest niet speelt.
 
Er dient dus te worden onderzocht of de verwerende partij kon besluiten dat verzoeker de bedoeling had om zich te onttrekken aan de overdrachtsprocedure, op basis van de vaststelling dat op de hiervoor vermelde verklaring namens hem werd aangekruist dat hij zich niet wenst te begeven naar de verantwoordelijke lidstaat, als één van de drie mogelijkheden die konden worden aangekruist (de andere twee mogelijkheden zijn “Ik wens mij met eigen middelen naar de verantwoordelijke lidstaat te begeven” en “Ik wens contact te nemen met de cel Repatriëringen bij de dienst Vreemdelingenzaken om mijn reis voor te bereiden met de hulp van mijn maatschappelijk assistent”.)
 
Verzoeker betoogt dat hij altijd zijn woonplaats heeft kenbaar gemaakt ten aanzien van de verwerende partij. Dit gegeven wordt niet betwist door de verwerende partij die, zoals reeds gesteld geen nota indiende en ter zitting enkel heeft verwezen naar het dossier. Aldus blijkt niet dat de verwerende partij niet op de hoogte zou zijn geweest van de woonplaats van verzoeker. Er blijkt ook niet dat verzoeker door zijn handelen buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht of deze materieel onmogelijk maakt, of dat er sprake is van praktische complicaties en organisatorische problemen voor de overdracht.
 
Gelet op wat voorafgaat, is de Raad van oordeel dat uit het enige motief in de bestreden beslissing, met name “Geen intentie om te vertrekken”, niet in redelijkheid kan worden afgeleid dat verzoeker zich doelbewust heeft onttrokken aan de overdracht of de intentie heeft om dat te doen, zodat het duidelijk is dat het vereiste intentioneel element, in casu, niet is vervuld.
 
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij correct toepassing heeft gemaakt van artikel 29.2 van de Dublin III-verordening om de overdrachtstermijn van zes maanden te verlengen tot achttien maanden. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond.