Samenvatting
Verzoeker kan worden gevolgd waar hij stelt dat hem een verblijfsrecht werd gegeven vóór de bestreden beslissing werd genomen en dat er geen bijlage 20 meer kon worden genomen maar een bijlage 21 diende te worden genomen.
Het administratief dossier bevat een schrijven van 25 september 2020 van de gemachtigde van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Asiel en Migratie, gericht tot de burgemeester van de stad Antwerpen waarin hij stelt dat verzoeker op 14 april 2020 een aanvraag gezinshereniging indiende en dat “behoudens tegenbericht (…) betrokkene (mag) vanaf het vervallen van het AI in het bezit worden gesteld van de F-kaart met vermelding arbeidsmarkt onbeperkt.”
Op de bijlage 19ter van 14 april 2020 staat vermeld: “Overeenkomstig artikel 52 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zal de aanvraag onderzocht worden door de Minister of zijn gemachtigde. De betrokkene zal binnen de zes maanden, namelijk op 14/10/2020, uitgenodigd worden om zich bij het gemeentebestuur aan te bieden, zodat de beslissing inzake deze aanvraag aan hem/haar kan worden betekend.”
Aangezien het administratief dossier geen ‘tegenbericht’ bevat van de gemachtigde kan worden aangenomen dat verzoeker op 14 oktober 2020 in het bezit werd gesteld van een F-kaart. Dit wordt overigens bevestigd in de bestreden beslissing zelf waar in fine wordt gesteld “De F-kaart van betrokkene dient te worden ingetrokken.”
De bestreden beslissing is genomen in uitvoering van artikel 52, § 4, 5de lid van het vreemdelingenbesluit. Voormeld artikel voorziet evenwel niet in de intrekking van een F-kaart doch in de intrekking van een attest van immatriculatie.
In de nota met opmerkingen repliceert de verwerende partij dat verzoeker “geen rechten (kan) putten uit de voorafgaandelijk afgeleverde F-kaart. Uit het administratief dossier blijkt immers dat deze afgeleverd werd op basis van een verkeerd uitgangspunt. Vermits dit niet overeen stemt met de realiteit, is het verwerende partij wel degelijk toegestaan om het verblijfsrecht ten aanzien van verzoekende partij te weigeren.”
De Raad herhaalt dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat op 25 september 2020 door de gemachtigde van de minister aan de stad Antwerpen werd meegedeeld dat ze een F-kaart mocht uitreiken aan verzoeker. Hieruit blijkt dat de gemachtigde reeds op 25 september 2020 een beslissing heeft genomen inzake de aanvraag tot afgifte van de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie. Derhalve moet worden vastgesteld dat de verwerende partij haar bevoegdheid had uitgeput toen zij op 25 september 2020 besliste over de ingediende aanvraag en haar bevoegdheid heeft overschreden door ‘later’ op 10 november 2020 wederom een beslissing te nemen. Inzake dezelfde aanvraag kan de verwerende partij geen twee verschillende beslissingen nemen. Verwerende partij betwist niet dat er reeds een beslissing was genomen inzake de gezinsherenigingsaanvraag. De Raad merkt in dit verband ook op dat waar met de ‘nieuwe’ beslissing tot weigering van verblijf de F-kaart wordt ingetrokken artikel 52, § 4, 5de lid van het vreemdelingenbesluit niet voorziet in de intrekking van een F-kaart. In de mate de verwerende partij stelt dat uit de latere beslissing blijkt “dat deze afgeleverd werd op basis van een verkeerd uitgangspunt” en betoogt dat de F-kaart als impliciet ingetrokken diende te worden beschouwd, merkt de Raad op dat er geen onduidelijkheid mag bestaan omtrent de intenties van het bestuur en dat de intrekking van de administratieve rechtshandeling tegelijk met de beslissing tot weigering van verblijf niet beantwoordt aan het beginsel van de rechtszekerheid, quod non in casu. De rechtszekerheid en de duidelijkheid in het rechtsverkeer vereisen dat er geen enkele ondubbelzinnigheid blijft bestaan omtrent de impliciete intrekking van de akte (cf. RvS 18 januari 2005, nr. 139.434, Carron en cons.). Het gegeven dat de beslissing van 25 september 2020 ingetrokken zou zijn, kan in casu enkel afgeleid worden uit de bestreden beslissing. Voorts beklemtoont de Raad dat ten gevolge van de beslissing van 25 september 2020 de verwerende partij het recht op verblijf van de verzoeker als echtgenoot van een Nederlandse onderdaan erkend heeft. Het was bijgevolg een rechtsverlenende administratieve rechtshandeling, daar er rechten erkend werden. Daargelaten de vraag of de beslissing van 25 september 2020 een regelmatig of onregelmatig karakter vertoont, wijst de Raad erop dat de verwerende partij de huidige bestreden beslissing op 10 november 2020, hetzij meer dan dertig dagen na het nemen van de beslissing van 25 september 2020, genomen heeft. De intrekking van een rechtsverlenende, doch onregelmatige, administratieve rechtshandeling is slechts mogelijk binnen de termijn van dertig dagen, bepaald voor het instellen van een beroep bij de Raad. Ingeval een dergelijk beroep ingediend werd, kan de intrekking gebeuren tot aan de sluiting der debatten.
In de mate de verwerende partij betoogt dat de rechtshandeling is uitgelokt door bedrog of door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat zij als onbestaande moet worden beschouwd, kan zij evenmin worden gevolgd.
Verzoeker merkt terecht op dat de verwerende partij de huwelijksakte reeds erkende door de toekenning van het verblijfsrecht op 25 september 2020.
Voor de erkenning van buitenlandse huwelijksaktes geldt het algemeen erkenningsregime van het Wetboek Internationaal Privaatrecht (Wetboek IPR) dat van toepassing is op de erkenning van alle buitenlandse authentieke aktes (artikel 27 van het Wetboek IPR).
Artikel 27, § 1 van het Wetboek IPR stelt:
“Een buitenlandse authentieke akte wordt in België door alle overheden erkend zonder dat een beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld overeenkomstig het krachtens deze wet toepasselijk recht, en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21.”
Op basis hiervan zijn alle administratieve overheden in België op gelijke voet bevoegd om kennis te nemen van buitenlandse aktes en te oordelen over de erkenning ervan.
Bij een aanvraag gezinshereniging op basis van een buitenlands huwelijk beoordeelt de verwerende partij de geldigheid van de voorgelegde buitenlandse huwelijksakte. De voorgelegde controle wordt gevoerd rekening houdend met artikel 146bis van het BW, met name of de intentie bestaat om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.
Een ander gevolg van de plano erkenning van buitenlandse aktes is dat de ene administratieve overheid niet gebonden is door een eventueel eerder genomen beslissing door een andere administratie. Zo zal de gemeente aan wie de buitenlandse akte wordt voorgelegd met het oog op registratie, nog altijd moeten nagaan of de akte voldoet aan de voorwaarden voor erkenning. Ook wanneer er in het betrokken dossier al een verblijfsrecht werd toegekend op basis van het buitenlands huwelijk. Een buitenlandse akte van burgerlijke stand kan slechts als basis dienen voor een inschrijving in het rijksregister of overgeschreven worden in de registers van burgerlijke stand na onderzoek van de voorwaarden van erkenning die artikel 27, § 1 van het Wetboek IPR beschrijft (artikel 31 van het Wetboek IPR).
In casu blijkt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand op 14 oktober 2020 het huwelijk weigert over te schrijven. Tegen deze beslissing is echter een beroep hangende bij de rechtbank van eerste aanleg.
Nu de ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk weigert te erkennen, besluit de verwerende partij een beslissing tot weigering van verblijf af te geven. Het komt de Raad echter kennelijk onredelijk voor van de verwerende partij om nu plots te gaan stellen dat verzoeker gebruik heeft gemaakt van misleidende informatie terwijl de enige informatie die voorligt de huwelijksakte is die ze zelf had erkend. De verwerende partij heeft het huwelijk zelf beoordeeld en toont op geen enkel punt aan dat er nu informatie voorligt die ze op dat moment niet heeft kunnen beoordelen. De beoordeling gemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft geen gezag van gewijsde ten aanzien van de verwerende partij. Enkel de beslissing die genomen zal worden door de rechtbank van eerste aanleg heeft gezag van gewijsde en zal dan ook door de verwerende partij moeten gevolgd worden. De Raad herinnert er aan dat hij niet de rechtsmacht heeft om, weze het incidenteel, te onderzoeken of de weigering vanwege de ambtenaar van de burgerlijke stand tot het erkennen van de geldigheid van de huwelijksakte wettig is. Het komt de Raad kennelijk onredelijk voor van de verwerende partij om aldus niet het oordeel van de rechtbank van eerste aanleg af te wachten. Met zijn betoog maakt verzoeker de schending van het redelijkheidsbeginsel aannemelijk.
Aldus heeft de verwerende partij door het nemen van de bestreden beslissing haar bevoegdheid overschreden daar zij haar bevoegdheid reeds had uitgeput door bij beslissing van 25 september 2020 uitspraak te hebben gedaan over de aanvraag van verzoeker. De schending van de formele motiveringsplicht wordt aangetoond.