Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 253.382 - 22-04-2021

Samenvatting

In het hierboven geciteerde onderdeel werpt verzoeker de schending op van artikel 24 van de Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4-23) (hierna: SIS-II Verordening), van de artikelen 1 en 25 van de Vreemdelingenwet alsook de schending van de formele motiveringsplicht zoals voorzien in de artikelen 2 en 3 van de de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker hekelt kortgezegd het feit dat de bestreden beslissing niet is gekoppeld aan een beslissing tot het opleggen van een inreisverbod zoals artikel 25 van de Vreemdelingenwet het volgens hem vereist. Volgens verzoeker is er geen andere wettelijke bepaling om een vreemdeling de toegang en het verblijf te onzeggen. Hij verbindt hieraan ook de onbevoegdheid van de steller van de akte en benadrukt dat artikel 24 van de SIS-II Verordening op zich geen grondslag biedt voor de bestreden beslissing. Deze bepaling handelt over een nationale signalering ingevolge een door de bevoegde administratieve of strafrechtelijke autoriteiten met inachtneming van de nationale wettelijke procedurevoorschriften genomen beslissing, op basis van een individuele beoordeling. Een dergelijke beslissing ontbreekt, aldus verzoeker.
 
De kritiek van verzoeker vertrekt volgens de verwerende partij vanuit de verkeerde premisse dat een signalering in het SIS enkel mogelijk is wanneer de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod. Artikel 24 van de SIS-II Verordening laat volgens de verwerende partij toe een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang te nemen waarbij de toegang tot het Belgisch grondgebied wordt verboden, zonder dat dit een inreisverbod dient te betreffen. De niet-aangevochten beslissing tot weigering van verblijf van 15 juli 2019, een administratieve beslissing waarbij de toegang tot het Belgisch grondgebied wordt verboden, vormt dan ook de grondslag van de bestreden beslissing, aldus de verwerende partij. De verwijzing naar artikel 25 van de Vreemdelingen-wet is volgens de verwerende partij niet dienstig omdat dit artikel van toepassing is wanneer de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod, wat in casu niet aan de orde is.
 
De bestreden beslissing verwijst naar artikel 24, 1e lid en 2e lid, b) van de SIS-II Verordening. Artikel 24 bepaalt de voorwaarden voor signaleringen met het oog op weigering van toegang “of” verblijf.
 
Op 19 november 2018 heeft de Europese Raad drie Verordeningen over het gebruik van het Schengeninformatiesysteem vastgesteld, die de SIS-II Verordening geleidelijk vervangen. Doel hiervan is om de strijd tegen terrorisme en ernstige vormen van criminaliteit te versterken en een hoog niveau van veiligheid in de hele EU te verzekeren alsook het migratiebeheer te ondersteunen. Inzonderheid kan worden verwezen naar Verordening (EU) 2018/1861 die voorziet in een gewijzigd artikel 24 dat handelt over de voorwaarden voor signaleringen met het oog op weigering van toegang én verblijf.
 
Gelet op wat kan worden gelezen in de artikelen 65 en 66, lid 5 juncto lid 2 van de voormelde Verordening (EU) 2018/1861 en aangezien er nog geen besluit is van de Europese Commissie tot vaststelling van de datum waarop “ingevolge deze verordening SIS-werkzaamheden aanvangen”, is artikel 24 van de SIS-II Verordening op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing nog steeds van toepassing, zoals de aanhef van de bestreden beslissing terecht stelt.
 
Artikel 24 van de SIS-II Verordening luidt als volgt:
 
“Voorwaarden voor de invoering van signaleringen met het oog op weigering van toegang of verblijf
 
1. Gegevens over met het oog op weigering van toegang of verblijf gesignaleerde onderdanen van derde landen worden opgenomen op grond van een nationale signalering ingevolge een door de bevoegde administratieve of strafrechtelijke autoriteiten met inachtneming van de nationale wettelijke procedurevoorschriften gegeven beslissing, op basis van een individuele beoordeling. Het recht van beroep tegen deze beslissingen wordt uitgeoefend overeenkomstig de nationale wetgeving.
 
2. Indien de in lid 1 bedoelde beslissing gegrond is op een gevaar voor de openbare orde of veiligheid of de nationale veiligheid dat de aanwezigheid van een onderdaan van een derde land op het grondgebied van een lidstaat kan opleveren, wordt een signalering opgenomen. Dit is in het bijzonder het geval bij:
 
a) een onderdaan van een derde land die in een lidstaat schuldig is bevonden aan een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste één jaar geldt;
 
b) een onderdaan van een derde land te wiens aanzien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij ernstige misdrijven heeft gepleegd, of er duidelijke aanwijzingen zijn dat hij overweegt dergelijke feiten te plegen op het grondgebied van een lidstaat.
 
3. Een signalering kan tevens worden opgenomen indien de in lid 1 bedoelde beslissing gegrond was op het feit dat ten aanzien van de onderdaan van een derde land een niet-opgeschorte of niet-ingetrokken maatregel tot verwijdering, weigering van toegang of uitzetting is genomen die een verbod op binnenkomst, of, voor zover van toepassing, een verbod op verblijf behelst of daarvan vergezeld gaat, in verband met een overtreding van de nationale bepalingen inzake de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen”.
 
4. Dit artikel is niet van toepassing op de personen, bedoeld in artikel 26.
 
5. De toepassing van dit artikel wordt drie jaar na de in artikel 55, lid 2, bedoelde datum door de Commissie geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie komt de Commissie, door gebruik van haar initiatiefrecht op grond van het Verdrag, met de nodige voorstellen tot wijziging van de bepalingen van dit artikel, met het oog op een grotere harmonisatie van de criteria voor de opneming van signaleringen.
 
Een SIS-signalering heeft tot gevolg dat de betrokkene de toegang tot het gehele Schengengebied wordt geweigerd en dat hij geen visum (kort verblijf) kan krijgen. Volgens artikel 5, lid 1 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO) kan “[a]an een vreemdeling die aan onderstaande voorwaarden voldoet, [...] toegang worden verleend tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden: [...] d) niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan”. Volgens artikel 15 van de SUO mogen de visa voor kort verblijf “slechts worden afgegeven, voor zover de vreemdeling aan de in artikel 5, lid 1, onder [...] d) [...], gestelde voorwaarden voor binnenkomst voldoet”. Er kan ook worden verwezen naar artikel 6, lid 1, onder d) en artikel 14, lid 1 van de Verordening 2016/399/EU (Schengengrenscode). Artikel 25, lid 1, eerste alinea van de SUO stelt een mechanisme van voorafgaand overleg met de signalerende staat in voor het geval dat de aangezochte staat ondanks die SIS-signalering zou overwegen een verblijfstitel af te geven aan de betrokken derdelander.
 
In casu steunt de bestreden beslissing op de toepassing van artikel 24, lid 1 en lid 2, b) van de SIS-II Verordening. Zij werd getroffen door minister De Block zelf en strekt ertoe verzoeker te signaleren in het Schengeninformatie systeem (SIS), dit gedurende een periode van 8 jaar. De minister is van oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd. Meer bepaald zouden de activiteiten van verzoeker op directe wijze spionage en inmengingsactiviteiten van de Chinese inlichtengendiensten ondersteunen. De minister acht deze activiteiten een bedreiging voor de nationale veiligheid.
 
Kernpunten in de betwisting vormen enerzijds de vraag welke beslissing artikel 24, lid 1 juncto lid 2, b) van de SIS-II Verordening beoogt en anderzijds of de in punt 1.6. bedoelde bijlage 48 een dergelijke beslissing is.
 
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat Verordeningen krachtens artikel 288 VWEU en wegens hun aard en hun functie in het systeem van de bronnen van het Unierecht in het algemeen recht-streekse werking hebben in de nationale rechtsorden, zonder dat de nationale autoriteiten uitvoerings-maatregelen hoeven vast te stellen. Voor sommige bepalingen kan het evenwel noodzakelijk zijn dat de lidstaten nationale maatregelen ter uitvoering ervan vaststellen (cf. arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 2017 in zaak C-528/15 (Al Chodor), punt 27 en het in dat punt vermelde arrest van 14 april 2011, Vlaamse Dierenartsenvereniging en Janssens, C 42/10, C 45/10 en C 57/10, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
 
Artikel 24, lid 1 van de SIS-II Verordening vereist voor de opname van gegevens over met het oog op weigering van toegang “of” verblijf gesignaleerde onderdanen van derde landen, een nationale signalering “ingevolge een door de bevoegde administratieve of strafrechtelijke autoriteiten met inachtneming van de nationale wettelijke procedurevoorschriften gegeven beslissing”. Artikel 24, lid 1 en lid 2, b) van de SIS-II Verordening vereisen derhalve voor een SIS-signalering van een onderdaan van een derde land te wiens aanzien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij ernstige misdrijven heeft gepleegd, een nationale signalering op grond van een beslissing getroffen door een bevoegde administratieve autoriteit of rechter waarbij de nationale wettelijke procedurevoorschriften werden nageleefd. De rechtsgrond voor de beslissing die een nationale signalering voorafgaat en de bevoegdheid van de administratieve autoriteit of rechter die deze beslissing neemt, zijn derhalve elementen die, in de context van de SIS-II Verordening, niet anders dan in het nationale recht kunnen en moeten worden vastgelegd.
 
Volgens verzoeker vereist een nationale signalering waarnaar artikel 24, lid 1 van de SIS-II Verordening verwijst, een nationale beslissing tot het opleggen van een inreisverbod. Er is volgens verzoeker echter geen dergelijke beslissing meer, gelet op het in punt 1.9 bedoeld arrest van de Raad waarbij een eerder opgelegd inreisverbod in het kader van de Terugkeerrichtlijn werd vernietigd. Volgens de verwerende partij laat artikel 24 van de SIS-II Verordening toe “een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang te nemen waarbij de toegang tot het Belgisch grondgebied wordt verboden, zonder dat dit een inreisverbod dient te betreffen”. Voor de verwerende partij is de in punt 1.6. bedoelde beslissing tot weigering van verblijf (bijlage 48) de vereiste nationale administratieve beslissing “waarbij de toegang tot het Belgisch grondgebied wordt verboden” en vormt deze de grondslag voor de bestreden beslissing.
 
Er wordt in de bestreden beslissing verwezen naar de in punt 1.6. bedoelde beslissing. Deze door verzoeker niet aangevochten beslissing bevindt zich in het administratief dossier. Zij werd getroffen naar aanleiding van verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een gecombineerde vergunning (“single permit”). Ze verwijst naar artikel 61/25-5, §1, 1° van de Vreemdelingenwet en naar artikel 105/3, §6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verbijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: het Vreemdelingenbesluit).
 
Artikel 61/25-5, §1, 1° van de Vreemdelingenwet luidt als volgt:
 
Ҥ 1.
 
De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/25-4, wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits:
 
1° de onderdaan van een derde land zich niet bevindt in een van de gevallen vermeld in artikel 3, eerste lid 5° tot 10°”.
 
Artikel 105/3, § 6 van het Vreemdelingenbesluit luidt als volgt:
 
“Wanneer de minister of zijn gemachtigde beslist dat de onderdaan van een derde land niet gemachtigd is tot verblijf wordt deze beslissing door middel van een document overeenkomstig het model in bijlage 48 betekend.”
 
In casu verwijst de in punt 1.6. bedoelde beslissing naar “artikel 3, 7°” van de Vreemdelingenwet.
 
Artikel 3, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet luidt als volgt:
 
“Behoudens de in een internationaal verdrag of in de wet bepaalde afwijkingen, kan de toegang worden geweigerd aan de vreemdeling die zich in een van de volgende gevallen bevindt :
(...)
7° wanneer hij geacht wordt de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden; (...)”.
 
Voorts kan in de in punt 1.6. bedoelde beslissing nog worden gelezen:
 
“De Veiligheid van de Staat signaleert ons op 22/05/2019 dat de activiteiten van de betrokkene op directe wijze de spionage-en inmengingsactiviteiten van de Chinese inlichtingendiensten ondersteunen.
Bijgevolg wordt de aanvraag voor een gecombineerde vergunning geweigerd.” 
 
De in punt 1.6. bedoelde beslissing vormt geen beslissing tot weigering van toegang. Verzoeker bevond zich immers ontegensprekelijk op het Belgisch grondgebied toen deze beslissing werd getroffen. Deze beslissing is enkel een beslissing tot weigering van verblijf zoals de titel van deze beslissing het trouwens aangeeft. Het is een negatieve beslissing i.v.m. verzoekers aanvraag voor een gecombineerde vergunning, dit om redenen van openbare orde of nationale veiligheid.
 
De vraag stelt zich of een beslissing tot weigering van verblijf n.a.v. een aanvraag om een gecombineerde vergunning, dit om redenen van openbare orde of de nationale veiligheid, volstaat als grondslag voor een nationale signalering in het SIS. Of vereist een SIS-signalering een nationale beslissing tot weigering van toegang én verblijf?
 
Een SIS-signalering is er in eerste instantie op gericht een derdelander de toegang te weigeren. Zij heeft echter ook een invloed op een verblijfsaanvraag (cfr punt 3.8). Het lijkt dan ook logisch te zijn dat een SIS-signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf van een derdelander is gegrond op een nationale beslissing tot weigering van toegang én verblijf. De tekst van artikel 24, lid 1 van de SIS-II Verordening zaait echter twijfel omdat hierin kan worden gelezen: “1.  Gegevens over met het oog op weigering van toegang of verblijf gesignaleerde onderdanen van derde landen worden opgenomen op grond van een nationale signalering (...)” (eigen onderlijning). Andere bepalingen van de SIS-II Verordening wijzen er echter wel op dat het wel degelijk moet gaan om een nationale beslissing tot weigering van toegang én verblijf. Zo draagt hoofdstuk IV van de SIS-II Verordening, waaronder de artikelen 20 tot 30 vallen, de volgende titel: “SIGNALERINGEN VAN ONDERDANEN VAN DERDE LANDEN MET HET OOG OP WEIGERING VAN TOEGANG EN VERBLIJF” (eigen onderlijning). Verder kan in artikel 21 worden gelezen: “Wanneer de in artikel 24, lid 2, bedoelde beslissing tot weigering van toegang en verblijf verband houdt met een terroristisch misdrijf, wordt de zaak beschouwd als gepast, relevant en belangrijk genoeg om een signalering in SIS II te rechtvaardigen (...)” (eigen onderlijning).
 
Advocaat-generaal P. Pikamäe heeft het voorts in punt 66 van zijn conclusie van 10 februari 2021 in de zaak C‑546/19, BZ tegen Westerwaldkreis, over “het inreis‑ en verblijfsverbod wegens een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, als bedoeld in artikel 24, lid 2, van verordening nr. 1987/2006” (eigen onderlijning; zie ook infra punt 3.22).
 
Uit dit advies komt dus duidelijk naar voren dat artikel 24, lid 2 van de SIS-II Verordening eigenlijk een inreis-en verblijfsverbod behelst. Dat het gaat om dit soort beslissingen, komt ook beter tot uiting in de Franse tekst van de ondertitel van artikel 24 van de SIS-II Verordening. Immers is hierin sprake van “les signalements introduits aux fins de nonadmission” alsook van “interdiction de séjour” (eigen onder-lijning).
 
Louter ten overvloede, het nieuwe artikel 24, lid 1 a) juncto lid 2 b) van Verordening (EU) 2018/1861, dat zoals gezegd nog niet in werking is getreden, brengt verduidelijkingen en vereist ontegensprekelijk een nationale beslissing tot weigering van toegang én verblijf, waartegen een beroepsmogelijheid moet openstaan:
 
“Voorwaarden voor de invoering van signaleringen met het oog op weigering van toegang en verblijf
 
1. De lidstaten voeren een signalering in met het oog op weigering van toegang en verblijf uit indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
 
a) de lidstaat is tot de slotsom gekomen dat op basis van een individuele evaluatie, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de betrokken onderdaan van een derde land en de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf zijn geëvalueerd, de aanwezigheid van die onderdaan van een derde land op zijn grondgebied een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid of de nationale veiligheid, en de lidstaat heeft dientengevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang en verblijf genomen en heeft daartoe overeenkomstig zijn nationaal recht een nationale signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf ingevoerd, of
 
b) de lidstaat heeft overeenkomstig procedures met inachtneming van Richtlijn 2008/115/EG een inreisverbod ten aanzien van een onderdaan van een derde land uitgevaardigd.
 
2.  De in lid 1, onder a), genoemde situaties doen zich voor wanneer:
 
a) een onderdaan van een derde land in een lidstaat veroordeeld is voor een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste één jaar geldt;
 
b) er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat een onderdaan van een derde land een ernstig strafbaar feit, onder meer een terroristisch misdrijf, heeft gepleegd of er zijn duidelijke aanwijzingen dat hij overweegt een dergelijk feit te plegen op het grondgebied van een lidstaat, of
 
c) (...).
 
3.  (...)
 
4.  Personen ten aanzien van wie een in lid 1 bedoelde beslissing tot weigering van toegang en verblijf is genomen, kunnen tegen die beslissing in beroep gaan. Dergelijk beroep wordt ingesteld overeenkomstig het Unierecht en nationaal recht, die moeten voorzien in een doeltreffende voorziening voor de rechter.”
 
Indien een SIS-signalering in het licht van artikel 24, lid 2 van de SIS-II Verordening slechts kan geschieden op grond van een nationale signalering die op haar beurt haar grondslag vindt in een nationale beslissing tot weigering van toegang én verblijf, zijnde een inreis- en verblijfsverbod, hoe kan dergelijke beslissing dan worden genomen als de derdelander zich niet meer op het nationale grond-gebied bevindt, quod in casu?
 
Er kan geen inreisverbod worden opgelegd in het kader van de Terugkeerrichtlijn, dat is gericht op het verbieden van de toegang en het verblijf gedurende een bepaalde periode, vermits deze richtlijn een inreisverbod koppelt aan een terugkeerbesluit (artikelen 3.6 en 11 van de Terugkeerrichtlijn). Illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat is een essentiële voorwaarde voor een terugkeerbesluit en het bijbehorende inreisverbod. Er kan echter geen terugkeerbesluit worden opgelegd aan een derde-lander die zich in het land van herkomst bevindt, quod in casu. Er kan in dit verband worden verwezen naar het in punt 1.9. bedoelde arrest van de Raad.
 
Echter kan voor een dergelijke derdelander wel een nationaal inreis- en verblijfsverbod worden opgelegd. Het inreis‑ en verblijfsverbod wegens een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, als bedoeld in artikel 24, lid 2, van de SIS-II Verordening “66.(...) [doelt] uitsluitend [...] op een onderdaan van een derde land die, op het moment van het uitvaardigen van dat verbod, buiten het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft. Dit verklaart waarom dit verbod als een afzonderlijke categorie wordt behandeld ten opzichte van het verbod dat onder richtlijn 2008/115 valt: hoe kan een terugkeerprocedure jegens de betrokken onderdaan worden gestart indien hij niet illegaal op het grondgebied van genoemde lidstaat verblijft? (...) 68. Ik vat even samen: de lidstaten blijven bevoegd om een inreisverbod uit te vaardigen jegens een persoon die een bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, (...), mits deze persoon buiten het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft op het moment van het uitvaardigen van het genoemde verbod. De lidstaten dienen zich echter te houden aan de in richtlijn 2008/115 opgenomen geharmoniseerde bepalingen, te beginnen met de verplichting een terugkeerbesluit vast te stellen wanneer deze lidstaat in een inreisverbod voorziet voor de persoon die een bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, indien deze persoon zich reeds op haar grondgebied bevindt. En verder: “69. (...) het inreisverbod dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt, verschilt van het verbod [zoals bedoeld in artikel 24, lid 1en 2, van verordening nr. 1987/2006] dat uitsluitend op het nationale recht is gebaseerd, […]” (eigen onderlijning) (cfr. reeds aangehaalde Conclusie van advocaat-generaal P. Pikamäe van 10 februari 2021 in zaak C‑546/19, BZ tegen Westerwaldkreis, punten 66, 68 en 69).
 
Indien dus artikel 24, lid 2 van de SIS-II Verordening het opleggen van een nationaal inreis- en verblijfsverbod veronderstelt, dient te worden vastgesteld dat de in punt 1.6. bedoelde beslissing tot weigering van verblijf, geen grondslag kan bieden voor een nationale signalering. Deze beslissing verwijst wel naar artikel 3, eerste lid, 7° van de Vreemdelingenwet, doch het betreft geen beslissing tot weigering van toegang, wel tot weigering van verblijf. Deze kan verzoeker ook niet de toegang ontzeggen, aangezien hij zoals gezegd nog op het Belgisch grondgebied verbleef op het ogenblik van het treffen van de in punt 1.6. bedoelde beslissing. De verwerende partij kan dus manifest niet worden gevolgd waar ze in haar nota opmerkt dat de bijlage 48, zoals bedoeld in punt 1.6., de vereiste nationale administratieve beslissing is “waarbij de toegang tot het Belgisch grondgebied wordt verboden”. Er kan in deze beslissing ook niet worden gelezen dat om redenen van openbare orde of nationale veiligheid elke toegang en elk verblijf worden verboden voor een bepaalde duur, wat toch een kernpunt is van een inreis- en verblijfsverbod. Er is dan ook, zoals verzoeker terecht stelt, geen grondslag te vinden voor de bestreden beslissing die verzoeker in het SIS signaleert voor een periode van acht jaar, met name ontbreekt een nationaal inreis- en verblijfsverbod dat verzoeker de toegang en het verblijf ontzegt in het Rijk voor 8 jaar.
 
Het verweer in de nota met opmerkingen dat de in punt 1.6. bedoelde beslissing, met name de bijlage 48, de vereiste nationale administratieve beslissing is die aan de grondslag ligt van de nationale signalering klemt des te meer gezien blijkens het administratief dossier administratief assistent M.G. op 27 oktober 2020 aan de hand van een Sirene-formulier een voorstel tot invoering van een persoon in het SIS-II invulde en ondertekende. Hierop werden de basisinformatiegegevens van verzoeker genoteerd zoals naam, voornaam, geboortedatum. Onder de rubriek, “datum van introductie” werd “22.10.2020” ingevuld en onder de rubriek “vervaldatum” werd “21.10.2028” ingevuld. Onder rubriek “Datum vankrachtwording” werd ingevuld, “22.10.2020”. Onder de (verplicht in te vullen) rubriek “Samenvatting van de feiten die aanleiding gaven tot de beslissing” kan worden gelezen, “L’intéressé a reçu notification d’une interdiction d’entrée d’une durée de 8 ans pour des raisons de sécurité nationale (espionnage)”. (vrije vertaling: “De betrokkene heeft de betekening ontvangen van een inreisverbod voor een duur van 8 jaar om redenen van nationale veiligheid (spionage)”). Ter terechtzitting stelt de verwerende partij dat dit een materiële vergissing betreft omdat het inreisverbod werd vernietigd door de Raad. Zij volhardt in haar standpunt dat de bijlage 48 de grondslag vormt voor de nationale signalering. Dit standpunt kan zoals gezegd niet overeind blijven. 
 
De Raad concludeert dan ook dat artikel 24 van de SIS-II Verordening werd geschonden. De nationale signalering ontbeert immers in casu een ingevolge een door de bevoegde administratieve autoriteiten met inachtneming van de nationale wettelijke procedurevoorschriften gegeven beslissing. Voor een derdelander die zich niet meer bevindt op het Belgisch grondgebied houdt dit het opleggen van een nationaal inreis- en verblijfsverbod in waarbij deze de toegang en het verblijf tot het Rijk wordt ontzegd voor een bepaalde periode. De in punt 1.6. bedoelde beslissing tot weigering van verblijf is niet een dergelijke beslissing.