Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 254.427 - 12-05-2021

Samenvatting

Verzoeker stelde een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in tegen de mededeling van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 27 oktober 2020 met vermelding: “Intrekking single permit – Instructie tot eventuele aflevering van een bijlage 51 door de gemeente”.
 
Om ontvankelijk te zijn, moet het beroep gericht zijn tegen een uitvoerbare beslissing. In artikel 39/1, §1, tweede lid, van de vreemdelingenwet wordt verduidelijkt dat het beroep moet worden ingesteld tegen “individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”. In de memorie van toelichting bij de vreemdelingenwet wordt gesteld dat voor het begrip ‘beslissing’ of ‘bestuurshandeling’ kan worden teruggegrepen naar de inhoud die de Raad van State er in zijn contentieux aan geeft, te weten “een uitvoerbare beslissing, zijnde een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of toestand dan wel zodanige wijziging te beletten” (Parl.St., Kamer, 2005-2006, DOC 12476/001, 92).
 
De ‘betekening’ van de beslissing van de gewestelijke overheid die een einde maakt aan de toelating tot arbeid van de onderdaan van een derde land (conform artikel 36, §1, tweede lid, van het Samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelating en tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten (hierna: het Samenwerkingsakkoord)) brengt op zich ten aanzien van verzoeker geen rechtsgevolgen teweeg die niet reeds zouden voortvloeien uit de voorafgaandelijke beslissing van de gewestelijke overheid van 27 oktober 2020 waarbij de toelating tot arbeid werd ingetrokken. Artikel 36, §2, van het Samenwerkingsakkoord schrijft immers voor dat het verblijf “van rechtswege” eindigt negentig dagen na het einde van de toelating tot arbeid.
 
In voormeld artikel 36, §1, van het Samenwerkingsakkoord wordt bepaald dat de beslissing van de gewestelijke overheid om een einde te maken aan de toelating tot arbeid naar de gemachtigde van de staatssecretaris wordt gestuurd, die deze beslissing aan de onderdaan van een derde land “betekent”. In de thans bestreden ‘mededeling’ wordt gesteld dat “(d)e motivatie en de beroepsmogelijkheden vermeld (staan) in de intrekkingsbeslissing van het gewest”.
 
In het Samenwerkingsakkoord worden in de artikelen 37 en 38 de “rechtsmiddelen” in kaart gebracht, waarbij “de aanvrager” een beroep kan indienen bij de bevoegde gewestminister tegen “de intrekking van de toelating tot arbeid” (artikel 37, tweede lid, 3°, van het Samenwerkingsakkoord). In casu ging het initiatief dus uit van de bevoegde gewestelijke overheid om de toelating tot arbeid in te trekken, waardoor er tegen de beslissing inzake de gecombineerde vergunning enkel een beroep openstond bij de bevoegde gewestminister.
 
Ten overvloede stipt de Raad aan dat er voor de onderdaan van het derde land conform artikel 38, eerste lid, van het Samenwerkingsakkoord enkel een beroep openstaat bij de Raad indien de weigerings- of intrekkingsbeslissing betrekking heeft op het verblijfsrecht, waarbij het initiatief uitgaat van de gemachtigde van de staatssecretaris, hetgeen te dezen niet het geval is. Zoals vermeld in de ‘mededeling’ eindigt het verblijf in casu van rechtswege, zonder dat er enige beslissing werd genomen door de gemachtigde van de staatssecretaris.
 
Ter terechtzitting wordt aan de verzoekende partij de vraag gericht of de bestreden beslissing een aanvechtbare administratieve rechtshandeling uitmaakt. De Raad wijst erop dat het voorwerp van het beroep in wezen een loutere mededeling betreft van een beslissing die uitgaat van de gewestelijke overheid en die de iure verblijfsrechtelijke gevolgen met zich brengt. De wijzigingen in de rechtspositie van de verzoekende partij zijn evenwel niet het gevolg van deze ‘mededeling’ die zelf geen rechtsgevolgen teweeg brengt. De bestreden beslissing is geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling (cf. RvS 4 oktober 2004, nr. 135.663).
 
De aanwezige raadsvrouw van verzoeker blijft het antwoord op de vraag naar het aanvechtbaar karakter van de mededeling schuldig, en benadrukt enkel dat haar cliënt de status van langdurig ingezetene heeft en daardoor in aanmerking komt voor een verblijfsrecht zonder bijkomende voorwaarden inzake tewerkstelling. Deze opmerking heeft echter geen uitstaans met de aanvechtbare aard van de bestreden ‘mededeling’.
 
Het voorwerp van het beroep is geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling die op basis van de vreemdelingenwet werd genomen.
 
Het beroep is niet ontvankelijk.