Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 255.464 - 1-06-2021

Samenvatting

In casu wordt niet betwist dat de vader van de verzoekende partij overleden is en dit binnen de vijf jaar na erkenning van het recht op verblijf. Aldus kon de verwerende partij in beginsel toepassing maken van artikel 42quater van de Vreemdelingenwet.
 
Evenwel kan in § 2 van voormeld artikel gelezen worden dat het recht op verblijf niet kan beëindigd worden, in zoverre het een verblijf betreft verkregen in functie van een Unieburger die
inmiddels overleden is en voor zover zijn kind in het Rijk verblijft en nog ingeschreven is in een onderwijsinstelling.
 
De verzoekende partij die ondertussen weliswaar meerderjarig is, is het kind van de overleden Unieburger, verblijft in het Rijk en heeft het bewijs geleverd dat hij ingeschreven is in een onderwijsinstelling, met name in het gemeentelijk technisch instituut van Duffel. De verwerende partij was hiervan op de hoogte en betwist dit overigens ook niet.
 
De verwerende partij meent echter dat artikel 42quater, § 2 van de Vreemdelingenwet enkel betrekking heeft op minderjarigen aangezien er uitdrukkelijk verwezen wordt naar het recht op bewaring en het voltooien van de studie.
 
De Raad volgt de verwerende partij niet. Nergens in artikel 42quater, §2 van de Vreemdelingenwet staat te lezen dat deze § enkel zou gelden voor de minderjarige kinderen. Zulks blijkt evenmin uit de voorbereidende werkzaamheden. Evenmin wordt er in de Vreemdelingenwet een definitie opgenomen waaruit zou kunnen afgeleid worden dat met het begrip kinderen, enkel minderjarige kinderen bedoeld worden. Bovendien wordt evenmin gepreciseerd over welk onderwijs het dient te gaan. De wet spreekt enkel van “ingeschreven zijn in een onderwijsinstelling”.
 
Wat betreft het recht op bewaring slaat dit enkel op de ouder. Indien de ouder het recht van bewaring heeft over het kind, dan kan ook het verblijfsrecht van die ouder niet beëindigd worden.
 
De verwerende partij heeft artikel 42quater, § 2 van de Vreemdelingenwet miskend.