Samenvatting
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij bij haar aanvraag talrijke bewijzen van geldstortingen van haar stiefvader aan haar adres heeft bijgebracht en dat al deze stortingen een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigen. Tevens heeft zij het bewijs geleverd dat zij een student is, dat zij geen inkomstenbelasting, bedrijfsbelasting of belasting op diensten en goederen diende te betalen en dat zij geen eigendommen of bedrijf heeft.
In casu wordt door de verwerende partij niet betwist dat de verzoekende partij een student is, die geen eigen inkomsten of eigendommen heeft. Evenmin wordt betwist dat de verzoekende partij op zeer regelmatige basis financiële steun heeft ontvangen van zijn stiefvader en dat de bedragen die werden gestort aanzienlijk zijn (zeker gezien de lagere levenskost in Sierra Leone).
In casu liggen aldus bewijzen van reële afhankelijkheid van de verzoekende partij ten aanzien van haar stiefvader voor. Dit volstaat als bewijs. Er diende niet nagegaan te worden of de verzoekende partij eventueel op een andere basis inkomsten zou kunnen verkrijgen, zoals door zijn vader.
In het hierboven vermelde arrest Reyes worden de richtlijnen van het arrest Jia bevestigd en stelt het Hof opnieuw dat niet hoeft bepaald te worden waarom er sprake is van afhankelijkheid aangezien de bepalingen, waarin zoals in Richtlijn 2004/38 het vrije verkeer van de unieburgers verankerd ligt, ruim moeten worden uitgelegd. Het Hof stelt dat het feit dat een unieburger over een lange periode regelmatig een som geld betaalt aan de bloedverwant, die voor hem noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in het herkomstland, kan aantonen dat er sprake is van een situatie van reële afhankelijkheid. Het Hof stipt aan dat de vereiste van een bijkomend bewijs van onvermogen in de praktijk soms niet makkelijk kan geleverd worden.
Door te verwachten dat de verzoekende partij, naast het feit dat zij zelf geen inkomsten heeft en op regelmatige basis financiële steun ontvangt van haar stiefvader, ook nog eens aantoont dat zij geen steun van iemand anders kan krijgen, wordt het recht op vrij verkeer zoals voorzien in Richtlijn 2004/38/EG volledig uitgehold. In casu heeft de verwerende partij geen enkele indicatie dat de verzoekende partij op heden nog een band heeft met haar vader. Geheel ten overvloede stelt de Raad vast dat de verzoekende partij opmerkt dat haar vader overleden is.