Samenvatting
De commissaris-generaal kan niet zonder meer beslissen dat een land een veilig derde land is louter omdat aan bepaalde voorwaarden voldaan is zoals in casu het indienen van een verzoek om internationale bescherming en/of het hebben van een tijdelijke humanitaire status. Alle relevante feiten en omstandigheden moeten bij deze beoordeling worden betrokken, wat in casu niet blijkt.
In het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 23/2021 van 25 februari 2021 stelt het Hof in punt B.86.4 dat de commissaris-generaal zich ervan moet vergewissen dat het derde land als zijnde veilig kan worden geacht voor de betrokken vreemdeling, hetgeen impliceert dat de inachtneming van de in de artikelen 57/6, § 3, eerste lid, 2°, en 57/6/6 van de Vreemdelingenwet opgesomde voorwaarden en beginselen wordt nagegaan.
De Raad stelt vast dat niet gepolst werd naar de omstandigheden waarin verzoeker in Zwitserland verbleef. Ook blijkt uit het volledige onderhoud dat dit inderdaad focust op de redenen waarom verzoeker zijn land van herkomst heeft verlaten, en niet waarom hij Zwitserland heeft verlaten en wat de omstandigheden van zijn verblijf daar waren.
Waar de verwerende partij in de nota stelt dat verzoeker tijdens het gehoor eventuele relevante gegevens kenbaar kon maken, wordt opgemerkt dat verzoeker geen concrete vragen werden gesteld over de omstandigheden van zijn verblijf in Zwitserland (er werd enkel gevraagd “Problemen in Zwitserland?”) en er hem vooral vragen werden gesteld over zijn problemen in Eritrea, zodat het niet onaannemelijk is dat verzoeker, in navolging van de protection officer, vooral op Eritrea focuste. De verwerende partij stelt ook dat verzoeker nu nalaat om op concrete wijze toe te lichten welke relevante feiten hij niet zou hebben kunnen meedelen en over welke pertinente elementen hij ondertussen zou beschikken. Uit artikel 57/6/6, § 2, tweede lid blijkt echter dat de commissaris-generaal alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling of een land een veilig derde land is, moet betrekken, waaronder de aard, de duur en de omstandigheden van het eerder verblijf. Dit houdt in dat aan verzoeker minstens de kans moet worden geboden om deze feiten en omstandigheden aan de commissaris-generaal mee te delen, wat in dit specifieke geval -gezien de wijze waarop het gehoor verliep (focus op het land van herkomst Eritrea)- niet gebeurd is.
Gelet op de beperkte vraagstelling ter zitting en het gebrek aan onderzoeksbevoegdheid van de Raad, kan de Raad in casu zulk substantieel gebrek aan zorgvuldigheid niet op nuttige wijze herstellen.