Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 256.807 - 18-06-2021

Samenvatting

De verzoekende partij erkent dat de verwerende partij, voor zover zij met haar verwijzing naar het aantonen van een vervoegen in figuurlijke zin door een financiële en affectieve band te bewijzen, wenst na te gaan of er een gezinscel tussen haar en haar zoon bestaat, een dergelijke toets kan vooropstellen. Zij is echter van mening dat één van beiden, een financiële of een affectieve band, volstaat voor een positieve beslissing en dat de verwerende partij door te vereisen dat zowel affectieve als financiële banden worden aangetoond, een bestaansmiddelenvoorwaarde toevoegt die niet is voorzien in de Vreemdelingenwet.
 
Het Grondwettelijk Hof (hierna: GwH) heeft in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 gesteld dat artikel 40ter van de Vreemdelingenwet voorziet in de mogelijkheid om een verblijf in het kader van gezinshereniging te verkrijgen voor de beide ouders van een minderjarige Belg. Aldus waarborgt deze bepaling het recht op gezinsleven van het kerngezin (GwH 26 september 2013, nr. 121/2013, B.54.1.) Ook de Raad van State heeft geoordeeld dat de in voorgenoemde bepaling voorziene voorwaarden de wettelijke verankering vormen van het recht op de bescherming van het gezins- en familieleven van de familieleden van een Belg die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer als burger van de Europese Unie, zodat artikel 40ter van de Vreemdelingenwet conform is aan artikel 8 van het EVRM (RvS 26 juni 2015, nr. 231.772).
 
De bij artikel 40ter, §2, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet bepaalde voorwaarde dat de vader of de moeder hun minderjarig Belgisch kind vergezellen of zich bij hem voegen, kan dan ook niet anders worden begrepen als dat de ouder (derdelander) met de minderjarige Belg een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft ontwikkeld. Door in artikel 40ter van de Vreemdelingenwet de gezinshereniging van minderjarige Belgen met hun beide ouders toe te laten zonder bijkomende voorwaarden, houdt de wetgever met name rekening met de bijzondere band van afhankelijkheid tussen jonge kinderen en hun ouders (GwH 26 september 2013, nr. 121/2013, B.54.2.).
 
Bijgevolg kan de verwerende partij, ook al voorziet artikel 40ter, §2, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet niet in vaste criteria met betrekking tot de voorwaarde van het “vergezellen [van de minderjarige Belg] of zich bij hem voegen” en ook al beschikt hij ter zake dus over een zekere appreciatiemarge, geen strengere voorwaarden stellen dan dat het gezinsleven tussen de ouder-derdelander en diens minderjarig Belgisch kind daadwerkelijk valt onder de door artikel 8 van het EVRM geboden bescherming van het gezinsleven tussen ouders en hun minderjarige kinderen.
 
(…)
 
Aangezien het de wil is van de wetgever om middels de voorwaarden van artikel 40ter, §2, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet de door artikel 8 van het EVRM geboden bescherming van de bijzondere band van afhankelijkheid tussen jonge kinderen en hun ouders te verzekeren, moet de verwerende partij de voorwaarde van het “vergezellen [van de minderjarige Belg] of zich bij hem voegen” invullen op een manier die in overeenstemming is met de rechtspraak van het EHRM inzake het voormelde artikel 8. In casu blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat de verwerende partij, in overstemming met de voormelde rechtspraak, een samenwoning tussen ouder en kind niet per definitie vereist opdat sprake is van de door artikel 40ter, §2, eerste lid, 2° van de Vreemdelingenwet en bijgevolg door artikel 8 van het EVRM vereiste band tussen ouder en kind.
 
In zoverre uit de bestreden beslissing kan afgeleid worden dat de verwerende partij in casu vereist dat zowel een affectieve als een financiële band wordt aangetoond, is een dergelijke beoordeling niet conform de rechtspraak van het EHRM.
 
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt immers geenszins dat enkel wanneer ook een financiële band tussen ouder en kind bestaat, nog sprake kan zijn van een gezinsleven tussen ouder en kind. Het EHRM vereist slechts algemeen dat er sprake is van effectief beleefde hechte persoonlijke banden, van een relatie tussen de betrokken ouder en het minderjarig kind die voldoende standvastig is om de facto gezinsbanden te creëren. De Raad herhaalt dat dit gezinsleven wordt verondersteld en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen als verbroken kan worden beschouwd.
 
Daargelaten de vraag aldus of de motieven betreffende de voorgelegde bewijsstukken afdoende zijn om te kunnen vaststellen dat uit deze stukken niet kan worden afgeleid dat de verzoekende partij een daadwerkelijke financiële band heeft met de minderjarige, dient uit de bestreden beslissing afdoende te blijken waarom uit de voorgelegde bewijsstukken niet kan worden afgeleid dat de verzoekende partij een daadwerkelijke affectieve band heeft met de minderjarige.