Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 266.706 - 14-01-2022

Samenvatting

Verzoekster wordt door haar gedrag (diefstal, opzettelijk slagen en verwondingen) geacht de openbare orde te kunnen schaden. Omdat mevrouw, die een psychische problematiek heeft, manifest weigert om op eigen initiatief een einde te maken aan haar onwettige verblijfsituatie, dringt een gedwongen verwijdering zich op.
 
Verzoekster voert een schending van artikels 3 en 8 EVRM aan. Ze betoogt tevens dat, naar aanleiding van het nemen van de bestreden beslissing, geen onderzoek werd gevoerd naar de beschikbaarheid van medicatie en van de medische en psychologische zorgen in het land van herkomst, noch naar de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de behandeling en de medicatie in het land van herkomst. Een loutere intentie om dergelijk onderzoek te zullen voeren volstaat voor haar niet.
 
De Raad merkt vooreerst op dat de autoriteiten bij het nemen van een verwijderingsbeslissing rekening moeten houden met welbepaalde fundamentele rechten, met name het belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling.
 
Artikel 3 EVRM verbiedt in absolute termen folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen. De afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten veronderstelt reeds dat een onderzoek naar artikel 3 van het EVRM moet worden doorgevoerd. Een dergelijk bevel houdt immers voor de verzoekende partij reeds de verplichting in het grondgebied te verlaten en legt een terugkeerverplichting op.
 
De Raad stelt vast dat er bij het nemen van de bestreden beslissing nog geen (volledig) onderzoek werd doorgevoerd naar de gezondheidstoestand van de verzoekende partij. Dergelijk onderzoek kan volgens de Raad niet uitgesteld worden naar een later tijdstip en dient met andere woorden dus reeds te worden uitgevoerd bij het nemen van een beslissing houdende een bevel om het grondgebied te verlaten. Verweerder heeft het onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 3 EVRM uitgesteld naar een later, niet bepaald en niet voorzienbaar tijdstip. Deze handelswijze is strijdig met artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet en ontneemt bovendien de verzoekende partij elk effectief rechtsmiddel. Het a posteriori onderzoek van verweerder bleek onvoldoende.