Samenvatting
Verzoeker, van Amerikaanse en Russische nationaliteit, diende in januari 2020 een VIB in. Het CGVS besloot in augustus 2021 dat verzoeker niet in aanmerking komt als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.
Verzoeker vreest bij een terugkeer naar de VS te worden vervolgd in een strafzaak omtrent het stalken van zijn ex-vriendin. Verzoeker verliet de VS in 2018 en diende pas in januari 2020 een VIB in nadat verzoeker door de Belgische politie werd gevat op vraag van Interpol in het kader van een uitleveringsverzoek van de staat Michigan. Verzoeker benadrukte dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft t.a.v. de Amerikaanse autoriteiten en dat hij in geval van terugkeer naar de VS geen toegang tot een eerlijk proces zal hebben.
De RvV benadrukt dat een VIB ingevolge een strafrechtelijke veroordeling moet worden onderscheiden van de vrees wegens vluchtelingenrechtelijke vervolging. De Raad verwijst hiervoor naar het UNHCR Handboek dat stelt dat personen die op de vlucht zijn voor vervolging of bestraffing voor een dergelijk misdrijf normaliter geen vluchtelingen zijn. Een vluchteling is een slachtoffer of potentieel slachtoffer van onrecht, niet een voortvluchtige van justitie.
De Raad benadrukt ook dat strafrechtelijke vervolging in se geen vluchtelingenrechtelijke vervolging uitmaakt. Verzoeker kan slechts als vluchteling worden beschouwd als hij kan aantonen dat hij vanwege een grond van vervolging zoals omschreven in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet (ras, religie, nationaliteit, behoren tot een sociale groep en politieke overtuiging) een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf. Verzoeker kan dit niet aantonen en kan evenmin aantonen waarom een dergelijke stafmaat een onmenselijk of vernederende bestraffing uitmaakt in de zin van artikel 48/4, § 2, b) van de Vreemdelingenwet. Verzoeker is ook niet in staat om aan te tonen dat er een oneerlijk proces was in de staat Michigan.
De RvV merkt nog op dat verzoeker het staatsburgerschap heeft van de VS, Rusland en Oezbekistan. Iedere asielzoeker heeft de plicht eerst de nationaliteit en bescherming te benutten waarop hij aanspraak kan maken. Aangezien verzoeker meerdere nationaliteiten heeft, dient hij aan te tonen dat hij geen bescherming kan vinden in elk van deze landen. Verzoeker voldoet niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 48/6, § 4 van de Vreemdelingenwet.
De RvV beslist dat het niet kan worden aangenomen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging koestert in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet en dat er geen zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker bij een terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2 van de Vreemdelingenwet. De RvV erkent verzoeker niet als vluchteling en weigert de subsidiaire beschermingsstatus.