Samenvatting
De verblijfsaanvraag als familielid van een Unieburger van de minderjarige Marokkaanse zus wordt geweigerd omdat ze niet over de nodige juridische bekwaamheid beschikt om deze aanvraag in te dienen.
Verzoekster, van Nederlandse nationaliteit, beweert het wettelijk gezag uit te oefenen over haar minderjarige zus. Ze verwijst naar de kafala, naar het feit dat ze met haar zus samenwoont en er een zekere mate van afhankelijkheid is. Verzoekster betoogt dat de kafala overeenkomstig artikel 52 van het Haags Kinderrechtenverdrag de pleegvoogdij over de zus behelst en uitvoerbaar is in België.
De Raad merkt op dat in Marokko de overdracht van het ouderlijk gezag via een gerechtelijke procedure dient te gebeuren. In casu hebben we echter niet te maken met een gerechtelijke kafala, maar slechts met een homologatie van een notariële kafala. Het ouderlijk gezag blijft met andere woorden toebehoren aan de biologische ouders.
In een tweede middel betoogt verzoekster dat er haar geen bevel tot terugbrenging kon worden gegeven, nu is gebleken dat zij geen ouderlijk gezag dan wel voogdij over haar minderjarige zus uitoefent. De besluitvorming van verwerende partij is dan ook strijdig aangezien eerst de verblijfsaanvraag wordt geweigerd omdat verzoekster haar zus niet in rechte kan vertegenwoordigen om vervolgens te beslissen dat verzoekster het nodige moet doen om haar minderjarige zus te doen terugkeren naar het land van herkomst. De Raad besluit de bestreden beslissing te vernietigen omdat verweerder geen bevel tot terugbrenging mocht afleveren aan verzoekster.