Samenvatting
De aanvraag van verzoekster om voor meer dan drie maanden als familielid van een Unieburger in België te verblijven wordt verworpen.
Verzoekster, van Surinaamse origine, is ouder dan 21 jaar en dient dus aan te tonen dat ze ten laste is van haar Nederlandse stiefvader, de referentiepersoon. Ondanks het feit dat verzoekster een hele reeks documenten neerlegde om dit te bewijzen, besloot verwerende partij dat verzoekster niet afdoende heeft aangetoond dat zij effectief onvermogend was. Verweerder meende dat niet kan worden verondersteld dat verzoekster effectief afhankelijk was van de stortingen om in haar basisbehoeften te voorzien.
De Raad verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie waar er wordt geoordeeld dat het feit dat een Unieburger over een lange periode regelmatig een som geld betaalt aan de bloedverwant, die voor hem noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in het herkomstland, kan aantonen dat er sprake is van een situatie van reële afhankelijkheid.
De bepalingen van het vrij verkeer van Unieburgers, zoals verankerd in de Burgerschapsrichtlijn 2004/38, moeten ruim worden uitgelegd. Dit verklaart waarom er niet bepaald moet worden waarom er sprake is van afhankelijkheid of waarom er een beroep wordt gedaan op die ondersteuning.
Regelmatige geldstortingen zijn een zwaarwegende factor om die afhankelijkheid te bepalen, maar het is ook vereist dat die geldsommen noodzakelijk zijn om in de basisbehoeften van verzoekster te voorzien. Een bijkomend vereiste van onvermogen moet op een eerder soepele manier toegepast worden, aldus de Raad. In casu leidt verwerende partij uit het feit dat verzoekster geen belastingen moest betalen niet af dat ze geen inkomsten genoot. Met andere woorden, het zou kunnen dat verzoekster nog over een (onbelastbaar) inkomen genoot of een echtgenoot had die over voldoende bestaansmiddelen beschikte. Dit zijn echter louter veronderstellingen, stelt de Raad vast.
De verweerder heeft de negatieve bewijslast met betrekking tot verzoeksters onvermogen onredelijk hoog gelegd en op kennelijk onredelijke wijze het passend middel om haar onvermogendheid aan te tonen terzijde geschoven. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel wordt dan ook aannemelijk gemaakt.