Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26.961 - 5-05-2009

Samenvatting

Volgens cijfers van het Comité van de Verenigde Naties voor Mensenrechten werden tussen 20 januari 2009 en april 2009 reeds meer dan 2800 burgers gedood zijn en meer dan 7000 gewond. Er kan dan ook besloten worden dat de oorlog in Noord-Sri Lanka een dermate graad van intensiteit heeft bereikt dat deze gelijk te stellen valt met willekeurig geweld in het geval van een binnenlands gewapend conflict zoals bepaald door artikel 48/4 §2, c) Vreemdelingenwet. In de huidige omstandigheden en voor zover dit materieel al mogelijk is, kan geenszins sprake zijn van een terugkeer van verzoeker naar het gebied in Noord-Sri Lanka waaruit hij afkomstig is. Het kan niet worden ontkend dat de situatie in Colombo maar ook in het zuiden van het land zorgwekkend is voor de Tamilbevolking afkomstig uit Jaffna, het noorden en het oosten van Sri Lanka. Een hervestiging of terugkeer naar dit deel van Sri Lanka kan, mits een aantal, al dan niet cumulerende, risicofactoren een reëel risico op ernstige schade inhouden in de zin van artikel 48/4 § 2 b) van de Vreemdelingenwet. Hierbij kan worden gewezen naar de onzekere bescherming ten gevolge van verhoogde veiligheidsmaatregelen en de hieraan verbonden mensenrechtenschendingen en de niet steeds aanwezige redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen of de bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen. Het valt in het huidige klimaat van algemeen geweld evenmin in te schatten of de situatie in Sri Lanka in intensiteit zal toenemen of afnemen zodat minstens het voordeel van de twijfel moet gegeven worden aan verzoeker en uit voorliggende cumulerende risicofactoren kan besloten worden dat hij voldoet aan de criteria van artikel 48/4 b van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus.