Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 271.435 - 20-04-2022

Samenvatting

Zo verzoeker meent dat zijn huidig verzoek om internationale bescherming niet kan behandeld worden als zou het een volgend verzoek betreffen zonder dat het grondgebied verlaten werd nu hij na het indienen van zijn eerste verzoek in België terugkeerde naar Libanon en het huidig, tweede verzoek los staat van het eerste verzoek vermits de door hem thans aangehaalde elementen absoluut niet dezelfde zijn als de elementen aangehaald in het eerste verzoek om internationale bescherming, en hij  daarom de mening toegedaan is dat er bijgevolg geen aanleiding is om zijn tweede verzoek onontvankelijk te verklaren bij gebrek aan nieuwe elementen, verwijst de Raad vooreerst naar de definitie van ‘volgend verzoek om internationale bescherming’ zoals ingevoerd bij wet van 21 november 2017 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen (BS 12 maart 2018): “volgend verzoek om internationale bescherming : elk later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de beslissingen genomen op basis van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 7° en 8°” (artikel 1, §1, 20° van de Vreemdelingenwet).
De parlementaire voorbereiding van voormelde wet van 21 november 2017 stelt dienaangaande dat deze definitie heeft ook betrekking op het verzoek om internationale bescherming dat wordt ingediend door een vreemdeling die tussen zijn vorig verzoek en zijn nieuw verzoek is teruggekeerd of beweert te zijn teruggekeerd naar zijn land van herkomst, en die opwerpt dat hij daar nieuwe feiten van vervolging heeft ondergaan. De commissaris-generaal, op basis van de bevoegdheid die in artikel 57/6/2 van de wet door de wetgever aan hem werd toegekend, onderzoekt of de (beweerde) terugkeer en de aangevoerde vervolgingen “nieuwe elementen zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt”. Deze bevoegdheid impliceert, met name, dat de commissaris-generaal de werkelijkheid van de terugkeer en van de aangevoerde vervolgingen moet beoordelen, op basis van de elementen die voorgelegd worden door de verzoeker om internationale bescherming en de elementen die, in voorkomend geval, op een andere wijze ter beschikking zijn van de commissarisgeneraal. Uit deze definitie van “volgend verzoek” volgt dat elk nieuw verzoek om internationale bescherming dat wordt ingediend nadat in het kader van het vorig verzoek om internationale bescherming een definitieve beslissing genomen werd, als een volgend verzoek in de zin van de wet moet worden beschouwd (Parl.St. Kamer, 2016-2017, nr. 54 2548/001, 23-24). De commissaris-generaal kon derhalve rechtens een beslissing overeenkomstig artikel 57/6/2 van de Vreemdelingenwet nemen.
Waar verzoeker nog hekelt dat hij niet de minste uitleg krijgt waarom de elementen die hij aanhaalt, nadat hij geruime tijd terugkeerde naar zijn land van herkomst, niet als nieuwe elementen beschouwd worden, benadrukt de Raad dat de loutere vaststelling dat de verzoeker om internationale bescherming in het kader van een volgend verzoek nieuwe elementen aanhaalt niet volstaat om het verzoek ontvankelijk te verklaren. De commissaris-generaal dient bij de beoordeling van nieuw aangevoerde elementen immers na te gaan of de aangevoerde elementen “nieuw” zijn in de zin dat zij “de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt”, m.a.w. of ze van aard zijn om tot een andere beslissing te kunnen komen dan de weigering van een eerder verzoek om internationale bescherming. Dit is in casu niet het geval, zoals correct wordt geoordeeld in de bestreden beslissing en zoals blijkt uit wat volgt.