Samenvatting
De Raad wijst erop dat de gemachtigde, op grond van de Europese regelgeving en rechtspraak, twee onderscheiden voorwaarden heeft afgelijnd opdat de verzoeker in België een verblijfsrecht kan verkrijgen in functie van de Belgische referentiepersoon, die voorheen in Nederland heeft verbleven:
1. De referentiepersoon moet bewijzen dat hij in Nederland verbleef krachtens en volgens de bepalingen van de Burgerschapsrichtlijn inzake een verblijf van meer dan drie maanden als werknemer, zelfstandige student of beschikker van voldoende bestaansmiddelen;
2. De referentiepersoon moet bewijzen dat hij in Nederland een gezinsleven met de verzoeker heeft opgebouwd of bestendigd.
Deze voorwaarden worden door de verzoeker als dusdanig niet betwist.
2.1.2.6. In de bestreden akte wordt met betrekking tot de tweede cumulatieve voorwaarde als volgt gemotiveerd:
“Er dient echter tevens aangetoond te worden dat betrokkene en de referentiepersoon op hetzelfde adres in Nederland een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.
Ter staving hiervan werden volgende documenten voorgelegd:
• lidmaatschapsovereenkomst Basic-Fit dd. 23.12.2019 op naam van betrokkene; bijbehorend betaalbewijs - OV-chipkaart op naam van betrokkene (afgeleverd op 27.03.2020)
• 'attestation d’immatriculation’ (Consulaat Generaal Marokko) dd. 02.06.2020 op naam van betrokkene;
• Bewijs van storting via Western Union;
• Formulier voor ontvangst van storting via Moneygram.
• Kasticketjes (Aldi, Zeeman,...)
De lidmaatschapsovereenkomst tussen betrokkene en Basic Fit (met bijhorende betaalbewijzen), de documenten van Western Union en Moneygram, bewijzen enkel dat betrokkene bij de vermelde bedrijven gekend was op het adres waarop de referentiepersoon enige tijd gedomicilieerd was. Op het document van Western Union staat er zelfs geen adres bij de naam en voornaam van betrokkene. Het document van Moneygram maakt weliswaar melding van hetzelfde adres als waar de referentiepersoon gedomicilieerd was, maar het mobiele telefoonnummer dat betrokkene er opgaf, bevat landcode +32, in casu deze van België. De kasticketjes bevatten geen gegevens over de identiteit van de koper, het is niet duidelijk wat betrokkene hiermee wenste aan te tonen.
Er werden bijgevolg geen objectieve verifieerbare documenten voorgelegd waaruit blijkt dat betrokkene effectief op hetzelfde adres als de referentiepersoon gedomicilieerd was (en zo ja sedert wanneer), en dat betrokkene en de referentiepersoon in Nederland een effectief gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. Er dient bijkomend opgemerkt te worden dat louter een kortstondig verblijf op hetzelfde adres in het kader van vb. een visum kort verblijf niet kan aanvaard worden als afdoende bewijs in het kader van de huidige aanvraag gezinshereniging.”
De verzoeker brengt hier tegenin dat niet met alle documenten rekening werd gehouden en er geen minutieus onderzoek heeft plaatsgevonden naar de feiten. De bestreden beslissing beperkt er zich volgens de verzoeker toe om de voorgelegde stukken in zijn geheel af te wijzen.
Met dergelijk vaag en algemeen betoog gaat de verzoeker niet concreet in op de precieze motieven van de bestreden beslissing. Zo betwist de verzoeker niet dat “(d)e lidmaatschapsovereenkomst tussen betrokkene en Basic Fit (met bijhorende betaalbewijzen), de documenten van Western Union en Moneygram, (…) enkel (bewijzen) dat betrokkene bij de vermelde bedrijven gekend was op het adres waarop de referentiepersoon enige tijd gedomicilieerd was.” De verzoeker betwist evenmin dat op “het document van Western Union (…) er zelfs geen adres bij de naam en voornaam van betrokkene (staat)”. De verzoeker betwist ook niet dat “(h)et document van Moneygram (…) weliswaar melding (maakt) van hetzelfde adres als waar de referentiepersoon gedomicilieerd was, maar het mobiele telefoonnummer dat betrokkene er opgaf, bevat landcode +32, in casu deze van België”. De verzoeker verschaft in dit verband ook geen verdere toelichtingen. De verzoeker brengt ook niets in tegen het motief dat de voorgelegde kasticketjes “geen gegevens (bevatten) over de identiteit van de koper”. In dit verband wordt in de bestreden beslissing ook nog gemotiveerd: “het is niet duidelijk wat betrokkene hiermee wenste aan te tonen”. De verzoeker gaat hier niet verder op in en licht niet toe wat hij beoogde aan te tonen met de voorgelegde kasticketjes. De verzoeker weerlegt aldus op geen enkele wijze dat er “geen objectieve verifieerbare documenten voorgelegd (werden) waaruit blijkt dat betrokkene effectief op hetzelfde adres als de referentiepersoon gedomicilieerd was (en zo ja sedert wanneer)”. De verzoeker laat verder na toe te lichten met welk concreet door hem voorgelegd stuk bij het nemen van de bestreden beslissing ten onrechte geen rekening werd gehouden.
De verzoeker is dan wel de overtuiging toegedaan dat de verweerder de bestreden beslissing incorrect heeft gemotiveerd en dat hij in feite en in rechte in de fout is gegaan waardoor er sprake zou zijn van een manifeste appreciatiefout, doch de verzoeker zet niet uiteen waarop hij deze overtuiging precies stoelt. Met dergelijke vage beweringen toont de verzoeker geen onzorgvuldige besluitvorming of onaanvaarbare motivering aan.
Uit de hoger aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat in het kader van artikel 21, eerste lid, van het VWEU aan twee afzonderlijke, cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan opdat een burger van de Unie, nadat hij zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, zich kan laten vervoegen door zijn derdelander-familieleden in zijn EU-staat van herkomst:
- enerzijds moet de burger van de Unie in een andere EU-lidstaat een verblijf hebben gekend in de zin van artikel 7, eerste lid of artikel 16, eerste lid, van de Burgerschapsrechtlijn (met name een verblijf van meer dan drie maanden als werknemer/werkzoekende, zelfstandige, beschikker van voldoende bestaansmiddelen of student, of een ononderbroken verblijf van vijf jaar op het grondgebied van een andere lidstaat in het kader van een duurzaam verblijfsrecht);
- anderzijds moet de burger van de Unie tijdens dit verblijf een gezinsleven opgebouwd of bestendigd hebben met het betrokken familielid, dat daar een afgeleid verblijfsrecht heeft verworven krachtens en onder eerbiediging van de in artikel 7, tweede lid of artikel 16, tweede lid van de in de Burgerschapsrichtlijn genoemde voorwaarden.
De verzoeker heeft niet aangetoond dat in de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens werd vastgesteld dat hij niet heeft aangetoond in Nederland een gezinsleven te hebben opgebouwd of bestendigd met de referentiepersoon, zoals vereist door de huidige rechtspraak van het Hof van Justitie.
De verzoeker verwijst nog naar ’s Raads arrest met nummer 262 437 van 19 oktober 2021, waaruit hij een bepaalde passage citeert. Bij nazicht van dit arrest wordt de geciteerde passage niet in voornoemd arrest teruggevonden. Bovendien hebben arresten van de Raad geen precedentenwerking zodat met de loutere verwijzing en citering ervan geen onwettigheid wordt aangetoond. In de mate dat de verzoeker zou doelen op ’s Raads arrest met nummer 262 437 van 19 oktober 2021 waarnaar de verzoeker verderop in zijn verzoekschrift verwijst, wordt erop gewezen dat de betrokken vreemdeling in die zaak een aanvraag indiende in functie van zijn oom, die de Nederlandse nationaliteit had. Deze situatie moet worden onderscheiden van de situatie van de verzoeker in deze zaak die een aanvraag indiende in functie van zijn schoonbroer, die de Belgische nationaliteit heeft.
Gelet op al het voorgaande, maakt de verzoeker niet aannemelijk dat in de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens wordt uiteengezet:
“De referentiepersoon toont niet afdoende aan te voldoen aan de voorwaarden en kan dan ook geen beroep doen op artikel 21 VWEU en richtlijn 2004/38/EG of het recht op vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie.
Betrokkene kan bijgevolg geen aanvraag gezinshereniging indienen in functie van de referentiepersoon op basis van artikel 47/1,2° van de wet van 15.12.1980.”