Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 272.656 - 12-05-2022

Samenvatting

Verzoeker voert aan dat uit het arrest B. en D. van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat de uitsluitingsclausule van artikel 1F een tweeledig en cumulatief doel heeft. Hij betoogt dat in casu aan de “cumulatieve doelstelling” ervan niet is voldaan, daar hij reeds definitief is veroordeeld en de hem opgelegde straf ondertussen volledig is uitgevoerd.
De verwerende partij wijst er in haar nota terecht op dat uit de letterlijke bewoordingen van artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie blijkt dat het voor de toepassing van de daarin genoemde uitsluitings-grond enkel vereist is dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd, dat ernstig en niet-politiek van aard is, en dat het werd begaan voordat de verzoeker tot het land is toegelaten als vluchteling.
Het Hof van Justitie heeft in de zaak B. en D. weliswaar gesteld dat de uitsluitingsgrond vervat in artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie erop is gericht in het verleden gestelde daden te bestraffen, en dat het werd “ingevoerd om personen die de aan de vluchtelingenstatus verbonden bescherming onwaardig worden bevonden, van die status uit te sluiten, en om te voorkomen dat personen die ernstige misdrijven hebben begaan, dankzij de toekenning van die status aan strafrechtelijke verantwoordelijk-heid kunnen ontsnappen” (par. 104). Echter, in tegenstelling tot wat verzoeker suggereert, kan uit de bewoordingen van het Hof geenszins worden afgeleid dat het van oordeel is dat artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie enkel is voorbehouden voor personen die een gerechtelijke veroordeling voor een ernstig niet-politiek misdrijf trachten te ontlopen, en niet van toepassing is op personen die reeds werden veroordeeld voor een dergelijk misdrijf en hun straf hebben ondergaan.
Nergens in de relevante regelgeving – artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie, de artikelen 12(2)(b) en 17(1)(b) van de Kwalificatierichtlijn, de artikelen 55/2 en 55/4, §1, b) van de Vreemdelingenwet – wordt het toepassingsgebied ervan expliciet beperkt tot personen die nog niet werden veroordeeld voor het ernstig niet-politiek misdrijf in kwestie én die de asielprocedure trachten te misbruiken om hun straf te ontlopen. De voormelde bepalingen bevatten geen enkele vereiste dat de verzoeker om internationale bescherming deze bescherming onwaardig is én dat hij door de toekenning van een beschermings-status aan strafrechtelijke verantwoordelijkheid zou ontsnappen.
Het voorgaande wordt bevestigd in de rechtspraak van de Raad van State die zonder meer oordeelde dat de dubbele doelstelling van de uitsluitingsclausule duidelijk is te onderscheiden van een dubbele voorwaarde waaraan cumulatief zou moeten zijn voldaan alvorens deze clausules toe te passen (beschikking RvS van 27 september 2021 met nr.14.595: “Het Hof stelt derhalve duidelijk dat de aangehaalde en ook te dezen toegepaste uitsluitingsgrond een dubbel doel (“ce double objectif”) heeft, enerzijds het uitsluiten van degenen die onwaardig worden bevonden om bescherming als vluchteling te genieten en anderzijds te voorkomen dat personen die ernstige misdrijven hebben begaan kunnen ontsnappen aan strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Dit is duidelijk te onderscheiden van een dubbele voorwaarde waaraan (volgens verzoeker) cumulatief zou moeten zijn voldaan alvorens de uitsluitings-grond zou kunnen worden toegepast.”).
Verzoekers verwijzing naar de UNHCR-richtlijnen en publicaties van EASO doen hierover niet anders denken en kunnen het terecht gemaakte onderscheid tussen een dubbele doelstelling, enerzijds, en een dubbele voorwaarde, anderzijds, niet in een ander daglicht stellen.
Waar verzoeker verwijst naar rechtspraak van de Franse Raad van State van 4 mei 2011 (stuk 22), merkt verweerder nog terecht op dat tot op heden rechterlijke beslissingen uit andere Lidstaten in de continentale rechtstraditie geen precedentswaarde hebben.
Bovendien moet een juiste lezing worden gemaakt van de Franse rechtspraak: daarin werd niet gesteld dat een uitsluiting op basis van artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie niet langer kan wanneer een gevangenisstraf is uitgezeten, wél werd gesteld dat bescherming alsnog kan worden toegekend wanneer de betrokken gevangenisstraf is uitgezeten én de betrokkene geen gevaar of risico meer vormt voor de Franse bevolking. In de EASO judicial analysis van 2016 en 2020, waar deze Franse rechtspraak wordt aangehaald, wordt aangegeven dat deze rechtspraak niet verenigbaar is met de rechtspraak van het Hof in de zaak B. en D. Daar heeft het Hof duidelijk gesteld dat de uitsluiting van een vluchtelingenstatus niet afhankelijk kan worden gesteld van een actueel gevaar voor de lidstaat van ontvangst (par. 104).
Bovendien wordt in de EASO judicial analysis van 2020 geen standpunt ingenomen maar integendeel andersluidende rechtspraak van andere landen aangehaald die stelt dat artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie niet enkel van toepassing is op voortvluchtigen, dat enkel elementen met betrekking tot het plegen van een ernstig misdrijf in overweging moeten worden genomen en dat de ernst van het misdrijf niet moet worden afgewogen tegen elementen van reclassering en re-integratie in de samenleving of actueel gevaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het standpunt van de Franse Raad van State niet breed gedragen wordt.
Bovendien kan uit latere rechtspraak van de Franse Raad van State blijken dat het eerdere standpunt werd herbekeken. In een arrest van 13 maart 2020, nr. 423579, werd immers geoordeeld dat artikel 1F(c) van de Vluchtelingenconventie de toepassing van de uitsluiting niet onderwerpt aan het bestaan van een actueel gevaar voor de lidstaat van ontvangst. Daardoor kan een verzoeker niet dienstig opwerpen dat hij zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten en niet langer een gevaar is voor de openbare orde om alsnog een toepassing van de uitsluitingsclausule te verhinderen. De Franse Raad van State zet zich hierbij op dezelfde lijn van het Hof van Justitie in de zaak B. en D. zodat niet valt in te zien waarom de Franse Raad van State heden niet dezelfde positie zou innemen ten aanzien van artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie.
Ten slotte heeft ook de Raad van State bevestigd dat artikelen 1F(b) van de Vluchtelingenconventie en artikel 12, lid 2, sub b van de Kwalificatierichtlijn betrekking hebben op in het verleden begane daden en dat ze – eens is vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat een verzoeker een ernstig misdrijf heeft gepleegd – een verplicht karakter hebben. In dat geval is de staat waar het verzoek om internationale bescherming is ingediend dus verplicht om de betrokkene uit te sluiten van de vluchtelingenstatus en van subsidiaire bescherming. Volgens de Raad van State bevatten de aangehaalde bepalingen geen enkele uitzondering, ook niet naargelang de betrokkene al dan niet een straf heeft ondergaan na een gebeurlijke veroordeling voor het ernstige misdrijf. De Raad van State herinnert eraan dat het Hof van Justitie in het arrest B. en D. nog heeft geoordeeld “dat om een persoon op grond van artikel 12, lid 2, sub b of c, van de richtlijn van de vluchtelingenstatus uit te sluiten geen evenredigheidstoetsing in het concrete geval is vereist”. De Raad van State benadrukt hierbij dat het Hof van geen enkele uitzondering gewag heeft gemaakt, dus ook niet naargelang de betrokkene al dan niet zijn straf heeft ondergaan na een gebeurlijke veroordeling (RvS 27 september 2021, nr.14.595 (c)).
Gelet op het voorgaande faalt verzoekers kritiek dan ook naar recht.
Er blijkt niet dat er geen toepassing kan worden gemaakt van de in de artikelen 55/2 en 55/4 bedoelde uitsluitingsgrond wanneer een verzoeker reeds voor de uitsluitbare handelingen werd veroordeeld en de uitsproken straf volledig werd uitgevoerd.
Het voorgaande neemt niet weg dat het uitzitten van de straf een element is dat in overweging kan worden genomen bij de beoordeling van de ernst van het misdrijf, zoals hierna zal worden besproken.
Overeenkomstig artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie kan een persoon slechts worden uitgesloten voor misdrijven die beperkt zijn in tijd en ruimte. Het bepaalt namelijk dat het moet gaan om een ernstig niet-politiek misdrijf dat werd begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land is toegelaten als vluchteling. Het kan dus in ieder geval niet gaan om een misdrijf dat werd begaan in het land van toevlucht waar de verzoeker een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, (UNHCR, Background Note on the Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees, september 2003, p. 16).
Verzoeker betoogt dat deze beperkingen in tijd en ruimte dusdanig dienen te worden uitgelegd dat ook misdrijven gepleegd buiten het land van opvang maar aldaar berecht, niet binnen de werkingssfeer van dit artikel vallen omdat ook deze misdrijven onderhevig zijn geweest aan het nationaal recht van dat land.
Opnieuw kan worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaak B. en D., waarin het Hof uitdrukkelijk stelde dat volgens de tekst van artikel 12, lid 2 van de Kwalificatierichtlijn, de betrokken persoon van de vluchtelingenstatus “wordt uitgesloten” wanneer de aldaar gestelde voor-waarden zijn vervuld. Noch in artikel 12, lid 2, onder b van de Kwalificatierichtlijn, noch artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie wordt een voorwaarde opgelegd die op een of andere wijze zou verhinderen dat een verzoeker wordt uitgesloten indien hij voor een ernstig niet-politiek misdrijf, begaan buiten het opvangland, reeds werd veroordeeld door een rechtbank in datzelfde opvangland. Integendeel, de enige voorwaarden zijn dat het misdrijf in kwestie niet-politiek en ernstig van aard is en begaan is buiten het land van opvang voordat de verzoeker tot dit land werd toegelaten als vluchteling. De Raad merkt hierbij op dat uit deze artikelen evenmin blijkt dat de vraag of het nationaal recht van het opvangland van toepassing is, een “bepalend en doorslaggevend criterium” is voor de toepassing ervan, zoals verzoeker betoogt.
In casu blijkt uit het arrest van het hof van beroep van 16 oktober 2018 en het vonnis van de correctionele rechtbank van 24 april 2018 duidelijk dat verzoekers betrokkenheid bij mensensmokkel zich heeft afgespeeld in Turkije en Griekenland in de periode van 15 maart tot 20 juli 2017. Zoals in de bestreden beslissing duidelijk wordt uiteengezet, zijn het enkel deze handelingen die de commissaris-generaal in aanmerking heeft genomen bij zijn beslissing. Het gegeven dat de Belgische strafrechter zijn extraterritoriale bevoegdheid heeft uitgeoefend bij de bestraffing ervan, doet in het geheel geen afbreuk aan de plaats waar de uitsluitbare handelingen werden gesteld. Integendeel, hierna volgt dat het uitoefenen van deze bevoegdheid eens te meer bevestigt dat de feiten buiten België werden gepleegd.
Waar verzoeker betoogt dat het hem ten laste gelegde misdrijf van valsheid in geschrifte werd gepleegd binnen het Belgisch grondgebied en bijgevolg niet als een misdrijf in de zin van artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie kan worden beschouwd, herneemt de Raad dat dit misdrijf niet de basis vormt voor de beoordeling in de bestreden beslissing. Zoals hoger reeds aangekaart, verwijst de commissaris-generaal enkel en uitdrukkelijk naar de feiten gepleegd in Turkije en Griekenland in de periode van 15 maart tot 20 juli 2017, waarmee is voldaan aan de vereiste dat deze gebeurtenissen buiten het land van toevlucht werden gepleegd en alvorens verzoeker tot dit land werd toegelaten als vluchteling.
Verzoeker argumenteert voorts dat er een dusdanige band bestaat tussen de gepleegde feiten en België dat het in se geen misdrijf betreft dat binnen het territoriaal toepassingsgebied van artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie valt. Immers, wat betreft het faciliteren van het transport van de betrokken personen van Griekenland naar België heeft het misdrijf volgens verzoeker niet opgehouden te bestaan voordat de personen in kwestie het Belgisch grondgebied hebben betreden zodat het minstens deels gepleegd werd op Belgisch grondgebied.
De Raad is van oordeel dat verzoeker geenszins kan worden bijgetreden en sluit zich aan bij het door de verwerende partij geformuleerde antwoord in dit verband in haar nota met opmerkingen:
“Verweerder antwoordt hierop dat de handelingen die verzoeker gesteld heeft blijkens het arrest van het Hof van Beroep van 16 oktober 2018 en het vonnis van de correctionele rechtbank van 24 april 2018 allemaal hebben plaatsgevonden buiten het Belgisch grondgebied. Bovendien blijkt uit het gegeven dat de strafrechter toepassing diende te maken van artikel 10ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek Strafvordering dat de feiten waarvoor verzoeker veroordeeld werd in het buitenland, en dus buiten het land van toevlucht, gepleegd werden. Immers, luidens voornoemd artikel kan eenieder in België worden vervolgd wanneer hij zich “buiten het grondgebied van het Rijk schuldig heeft gemaakt aan (…) één van de misdrijven bepaald in de artikelen 77bis tot 77quinquies” van de Vreemdelingenwet.
Het feit dat de slachtoffers finaal erin geslaagd zijn om België te bereiken, doet derhalve geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoeker wel degelijk veroordeeld werd voor een misdrijf dat buiten het Belgisch grondgebied gepleegd werd. Verzoeker kan overigens bezwaarlijk in alle ernst volhouden dat de feiten van mensensmokkel waarvoor hij veroordeeld werd niet buiten het Belgisch grondgebied werden gepleegd, nu reeds uit de kwalificatie van het misdrijf mensensmokkel blijkt dat dit een grensover-schrijdende vorm van criminaliteit betreft. Artikel 77bis stelt immers: “Levert het misdrijf mensensmokkel op het ertoe bijdragen, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze Staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel.”. Volledigheidshalve wijst verweerder er nog op dat de feiten van mensensmokkel waarvoor verzoeker veroordeeld werd eveneens betrekking hadden op het op illegale wijze toegang verschaffen aan personen die onderdaan zijn van een derde land tot het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie, in casu Griekenland.”
Waar verzoeker verwijst naar het feit dat de strafrechter het geheel van de feiten heeft beoordeeld en een eenheid van opzet heeft vastgesteld, antwoordt de verwerende partij in haar nota met opmerkingen op correcte wijze dat deze voorziening in het Strafwetboek tot doel heeft te vermijden dat, ingeval verschillende misdrijven werden gepleegd met eenzelfde opzet, een cascade van bestraffing zou worden uitgesproken die als onbillijk en overdreven overkomt. In voorkomend geval voorziet artikel 65, lid 1 van het Strafwetboek dat de rechter enkel de zwaarste straf uitspreekt voor de verschillende strafbare feiten waarover hij moet oordelen.
Voornoemd artikel, dat deel uitmaakt van Boek II (“De misdrijven en de bestraffing in het algemeen”), afdeling VI (“Straffen aan de drie soorten van misdrijven gemeen”) van het Strafwetboek heeft dus louter en alleen betrekking op het bepalen van de strafmaat. Met de toepassing van het artikel wordt dus geen enkele uitspraak gedaan over de plaats waar de feiten zijn gepleegd. Het loutere feit dat de strafrechter oordeelde dat de feiten die in Turkije en Griekenland werden gepleegd samenhangen met de feiten die in het gerechtelijk arrondissement Brussel werden gepleegd, betekent dan ook geenszins dat de feiten waarvoor verzoeker werd veroordeeld en die werden gepleegd buiten het Belgisch grondgebied, niet zouden vallen binnen de werkingssfeer van artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie omwille van de beweerde band met het Belgisch grondgebied.
Gelet op het bovenstaande heeft de commissaris-generaal op goede gronden geoordeeld dat de in aanmerking genomen feiten binnen het territoriale en temporele toepassingsgebied van artikel 1F(b) van de Vluchtelingenconventie vallen.