Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 273.003 - 19-05-2022

Samenvatting

De Raad kan de verzoekende partij volgen dat de gedane belangenafweging bezwaarlijk beschouwd kan worden als een concrete, evenwichtige en redelijke beoordeling van álle in het geding zijnde belangen, in het bijzonder de belangen van het betrokken kind versus de belangen van de Staat.
 
Zoals blijkt uit de aanvraag heeft de verzoekende partij erop gewezen dat zij steeds heeft samengewoond met haar echtgenote en minderjarige stiefzoon, dat zij een zeer sterke band heeft met haar stiefzoon die nooit zijn echte vader heeft gekend en dat zij fungeert als een primaire zorgfiguur. Zij wees erop dat zij als een vader is voor haar stiefzoon en zij haar stiefzoon helpt met huiswerk en het ophalen van school.
 
Tegen deze achtergrond, en mede rekening houdende met het feit dat de gezinsband reeds bestond voor de komst naar België, dat de verzoekende partij ook samen met haar gezin het herkomstland ontvlucht heeft en zij tijdens hun vlucht slechts enkele maanden gescheiden zijn geweest – meer bepaald van 26 augustus 2018 tot 25 december 2018 – maakt de verwerende partij met haar beoordeling niet duidelijk waarom de belangen van de staat zouden moeten doorwegen op de belangen van een kind van elf jaar oud en meer bepaald waarom de belangen van de staat een tijdelijke scheiding vergen tussen verzoekende partij en haar gezinsleden, hoewel het nog een jong kind betreft en hoewel het effectief beleefde huwelijks- en gezinsleven niet in vraag worden gesteld.
 
Verwerende partij is van oordeel dat de belangen van het kind niet geschonden worden omdat het kind met de moeder verder in België kan verblijven en verder school lopen zodat de “tijdelijke afwezigheid” van verzoekende partij hierop geen negatief effect dient te hebben. Ook de moeder kan helpen met huiswerk en het afhalen van school. Verder wijst de verwerende partij erop dat de verzoekende partij via moderne communicatiemiddelen contact kan onderhouden met haar gezin. Verder overweegt de verwerende partij: Een tijdelijke scheiding met het oog op het vervullen van de noodzakelijke formaliteiten verstoort het gezinsleven niet ernstig. Bovendien leefden ze al eens gescheiden van elkaar want betrokkene bleef in Griekenland waar het het statuut van vluchteling aanvroeg en verkreeg en zijn echtgenote en stiefzoon kwamen onmiddellijk naar België. Betrokkenen zullen dus zeker en vast weten hoe ze met elkaar contact kunnen onderhouden via de sociale media en eventuele andere kanalen.
 
Betrokkene heeft bewust zijn gezinsleven hier verder gezet, hij is verantwoordelijk voor de gevolgen hiervan en dit ontslaat hem niet van de verplichting om zich in regel te stellen met de bestaande wetgeving. Er is al een negatieve beslissing in dit dossier gegeven op 28.11.2019 en in beroep bevestigd op 20.03.2020 maar betrokkene koos er zelf voor dit niet op te volgen.“
 
De Raad kan op lezing van de gegeven motieven de verzoekende partij volgen in haar betoog dat geen rekening werd gehouden met het feit dat zij samen met haar gezin het herkomstland is ontvlucht en dat haar gezin kon doorreizen vanuit Griekenland maar dat zijzelf tegen haar wil daar achterbleef. De scheiding die het gezin kende gedurende enkele maanden had aldus niks te maken met een vrijwillige keuze, minstens voor zover de verwerende partij dit zou voorhouden toont zij dit niet aan. Buiten die enkele maanden onvrijwillige scheiding blijkt dat verzoekende partij sinds haar huwelijk met haar echtgenote in 2016 steeds heeft samengewoond met haar gezin, minstens toont de verwerende partij niet anderszins aan. De verwerende partij betwist voorts ook niet dat de verzoekende partij een belangrijke ouderfiguur is voor haar stiefzoon van elf jaar. De Raad wijst erop dat het hoger belang van het kind twee aspecten omvat, met name enerzijds het behoud van de eenheid van gezin en anderzijds het welzijn van het kind (EHRM 6 juli 2010, nr. 41615/07, Neulinger en Shuruk v. Zwitserland (GK), par. 135-136). Gelet op de gegevens van het administratief dossier waaruit blijkt dat het gezin steeds heeft samengewoond behoudens enkele maanden onvrijwillige scheiding en voorts niet betwist wordt dat de verzoekende partij een belangrijke ouderfiguur is voor het elfjarige stiefkind, blijkt uit de beoordeling van de verwerende partij niet dat terdege rekening werd gehouden met het hoger belang van het kind door er in essentie slechts op te wijzen dat het slechts gaat om een tijdelijke scheiding, de moeder in tussentijd kan instaan voor het kind en verder contact kan onderhouden worden via moderne communicatiemiddelen. De Raad kan de verzoekende partij volgen dat dergelijke beoordeling abstractie maakt van de bijzondere feitelijkheden die haar zaak kenmerken. De verwerende partij heeft er, door enkel te wijzen op het feit dat het perfect mogelijk is om op afstand contacten te onderhouden, geen afdoende rekening mee gehouden dat het jonge minderjarig kind van verzoekende partij wordt gescheiden terwijl de eenheid van het gezin een belangrijke overweging diende te zijn. Het gegeven dat de moeder ook voor het kind kan instaan in tussentijd houdt evenmin rekening met het feit dat de verzoekende partij zelf een belangrijke ouderfiguur is voor het kind en dat behoudens een onvrijwillige scheiding van enkele maanden, het kind steeds heeft kunnen rekenen op de nabijheid en zorg van beide ouders. De Raad herinnert eraan dat de ruime beoordelingsmarge die de verwerende partij ontegensprekelijk heeft in deze eveneens een meer nauwgezette motiveringsplicht vereist, die des te meer geldt in het licht van artikel 12bis, § 7 van de vreemdelingenwet – bepaling die moet worden uitgelegd in het licht van de richtlijn 2003/86/EG en de rechtspraak van het Hof van Justitie – en de billijke belangenafweging vereist onder artikel 8 van het EVRM.
 
De in de bestreden beslissing gemaakte belangenafweging in het licht van het hoger belang van het kind getuigt niet van een afdoende en evenwichtige beoordeling. Er blijkt niet dat de verwerende partij bij het beoordelen van het hoger belang van het kind alle relevante elementen in ogenschouw heeft genomen.