Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 273.534 - 1-06-2022

Samenvatting

In de huidige zaak is niet betwist dat verzoeker lijdt aan een ernstige psychische aandoening. De arts-adviseur is echter van oordeel dat de nodige behandelingen beschikbaar zijn in Griekenland, zodat er geen tegenindicatie is voor terugkeer naar het land van verblijf.
 
Met betrekking tot de toegankelijkheid van deze zorg, wordt in het advies verwezen naar artikel  33 van de Griekse wet 4368/16 die voorziet in een gratis toegang tot het openbaar gezondheidssysteem voor alle vluchtelingen, asielzoekers en begunstigden van internationale bescherming, alsook voor zij die op Griekse bodem verblijven om humanitaire of uitzonderlijke gezondheidsredenen. Begunstigden van de vluchtelingenstatus krijgen een verblijfsvergunning met daaraan verbonden toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs, sociale bijstand als medische zorgen, onder dezelfde regels en voorwaarden die gelden voor Griekse onderdanen. Er wordt gemotiveerd dat verzoeker niet aantoont arbeidsongeschikt te zijn en dat volgens de rechtspraak van het EHRM een eventualiteit van slechte behandeling wegens een instabiele conjunctuur in een land op zich niet leidt tot een inbreuk op artikel 3 van het EVRM. Tenslotte nog wordt er op gewezen dat Griekenland als lid van de Europese Unie gebonden is aan de Europese rechtsregels, zoals onder meer, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
 
Artikel 3 van het EVRM bepaalt dat “Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.” Deze bepaling bekrachtigt een van de fundamentele waarden van elke democratische samenleving en verbiedt in absolute termen folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen, ongeacht de omstandigheden en het gedrag van de verzoekende partij (vaste rechtspraak: zie bv. EHRM 21 januari 2011, M.S.S./België en Griekenland, § 218). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft reeds geoordeeld dat de verwijdering door een lidstaat een probleem ten aanzien van artikel 3 van het EVRM kan opleveren en dus een verdragsluitende Staat verantwoordelijk kan stellen, wanneer er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoekende partij in het land van bestemming een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM. In deze omstandigheden houdt artikel 3 van het EVRM de verplichting in de persoon in kwestie niet naar dat land te verwijderen (zie vaste rechtspraak EHRM 11 oktober 2011, nr. 46390/10, Auad v. Bulgarije, par. 96).
 
Hierbij moet worden benadrukt dat ook in het kader van het EVRM het vermoeden dat een andere lidstaat de fundamentele rechten neergelegd in het EVRM zal eerbiedigen – dit is het wederzijds vertrouwensbeginsel – niet onweerlegbaar is (EHRM 4 november 2014, nr. 29217/12, Tarakhel v. Zwitserland, par. 103). Dit vermoeden wordt volgens het EHRM weerlegd wanneer, zoals de vaste rechtspraak luidt, er zwaarwegende gronden worden aangetoond die aannemelijk maken dat de  betrokken vreemdeling bij verwijdering een reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan foltering of onmenselijke behandeling (EHRM 4 november 2014, nr. 29217/12, Tarakhel v. Zwitserland, par. 104).
 
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM inzake artikel 3 van het EVRM dienen de gevreesde slechte behandelingen en omstandigheden in het land van terugkeer een minimum niveau aan hardheid en ernst te vertonen om binnen het toepassingsgebied van artikel 3 van het EVRM te vallen (EHRM 26 oktober 2000, Grote Kamer, nr. 30210/96, Kudla v. Polen, par. 91-92; EHRM 21 januari 2011, Grote Kamer, nr. 30696/09, M.S.S. v. België en Griekenland, par. 219-220). De beoordeling van het vereiste minimumniveau aan hardheid en ernst is relatief en afhankelijk van alle omstandigheden van het individueel geval, zoals de duur van de behandeling en de fysieke of mentale gevolgen ervan, alsook, desgevallend, het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van het slachtoffer (Zie EHRM 15 juli 2002, nr. 47095/99, Kalashnikov v. Rusland, par. 95; EHRM 21 januari 2011, Grote Kamer, nr. 30696/09, M.S.S. v. België en  Griekenland, par. 219). Een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM kan betrekking hebben op de fysieke integriteit, de morele integriteit en de menselijke waardigheid (EHRM 21 januari 2011, Grote Kamer, nr. 30696/09, M.S.S. v. België en Griekenland, par. 220). In dit kader worden asielzoekers gekenmerkt als een kwetsbare groep, die een bijzondere bescherming behoeft (EHRM 21 januari 2011, M.S.S. v. België en Griekenland, par. 251).
 
Wat het onderzoek van de algemene situatie in een land betreft, hecht het EHRM vaak belang aan de informatie vervat in de recente verslagen afkomstig van onafhankelijke internationale organisaties voor de verdediging van de rechten van de mens zoals Amnesty International of van regeringsbronnen (zie bv. EHRM 21 januari 2011, M.S.S./België en Griekenland, §§ 347 en 348; EHRM 5 juli 2005, Said/Nederland, § 54; EHRM 26 april 2005, Müslim/Turkije, § 67; EHRM 15 november 1996, Chahal/Verenigd Koninkrijk, §§ 99-100). Het EHRM heeft eveneens geoordeeld dat een eventualiteit van slechte behandelingen wegens een instabiele conjunctuur in een land op zich niet leidt tot een inbreuk op artikel 3 van het EVRM (zie: EHRM 30 oktober 1991, Vilvarajah en cons./Verenigd Koninkrijk, § 111) en dat, wanneer de bronnen waarover het beschikt, een algemene situatie beschrijven, de specifieke beweringen van een verzoekende partij in een geval moeten worden gestaafd door andere bewijselementen (zie: EHRM 4 december 2008, Y./Rusland, § 9; EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië, § 131; EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askarov/Turkije, § 73; EHRM 26 april 2005, Müslim/Turkije, § 68).
 
Waar verzoekende partij aanvoert dat zij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van slechte behandeling, zal de bescherming van artikel 3 van het EVRM in werking treden wanneer zij aantoont dat er ernstige redenen bestaan om het bestaan van de praktijk in kwestie aan te nemen en om aan te nemen dat zij tot de bedoelde groep behoort (EHRM 11 oktober 2011, nr. 46390/10, Auad v. Bulgarije, par. 99 (e)). Dit zal worden onderzocht in het licht van het relaas van de verzoekende partij en van de beschikbare informatie over het land van bestemming wat de groep in kwestie betreft (zie: EHRM 4 december 2008, Y./Rusland, § 80; EHRM 23 mei 2007, Salah Sheekh/Nederland, § 148). Zowel wat de algemene situatie in een land betreft als de omstandigheden eigen aan haar geval, moet de verzoekende partij over de materiële mogelijkheid beschikken om deze omstandigheden te gepasten tijde te doen gelden (cf. EHRM 21 januari 2011, M.S.S./België en Griekenland, § 366). Het komt de verzoekende partij toe om een begin van bewijs te leveren van zwaarwegende gronden die aannemelijk maken dat zij bij verwijdering naar het land van bestemming zal worden blootgesteld aan een reëel risico op onmenselijke behandeling (zie EHRM 11 oktober 2011, nr. 46390/10, Auad v. Bulgarije, par. 99, punt (b) en RvS 20 mei 2005, nr. 144.754).
 
Aansluitend merkt de Raad ook op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 13 december 2016 in de zaak 41738/10, “Paposhvili t. België” oordeelde dat situaties die aanleiding kunnen geven tot een schending van artikel 3 van het EVRM moeten worden begrepen als situaties die een verwijdering van een ernstig zieke persoon inhouden waarbij substantiële gronden zijn aangetoond om aan te nemen dat deze persoon, hoewel niet in imminent levensgevaar, een reëel risico loopt, omwille van de afwezigheid van of het gebrek aan toegang tot adequate behandeling in de ontvangende staat, te worden blootgesteld aan een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand resulterende in intens lijden of in een opmerkelijke vermindering van de levensverwachting.
 
Verzoeker verwijst met betrekking tot de toegang tot de medische zorg in Griekenland naar een artikel van de website www.cadtm.org en een artikel van RTBF waarin wordt gewezen op de zeer slechte situatie van de gezondheidszorg in Griekenland. Ook Artsen zonder Grenzen bevestigt het gebrek aan medische follow-up en toegang tot medische zorg. Een rapport van AIDA en Stiftung PRO ASYL uit maart 2021 verklaart dat, ondanks het wetgevende kader, de feitelijke toegang tot de gezondheidszorg wordt gehinderd door grote tekortkomingen voor zowel buitenlanders als Griekse staatsburgers. Er wordt hierin gewezen op de situatie van personen die internationale bescherming genieten in Griekenland. Er is daarbij sprake van ernstige belemmeringen voor de toegang tot officiële documenten die noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot basisrechten zoals gezondheidszorg, huisvesting, sociale bijstand en toegang tot de arbeidsmarkt. Er zijn grote vertragingen bij de afgifte van een verblijfskaart, waardoor personen het recht op verblijf geen effectieve toegang krijgen tot hun rechten als statushouders. Dit is ook het geval voor terugkeerders die op de verlenging of de hernieuwde afgifte van een verblijfskaart wachten en in afwachting daarvan geen andere documenten ontvangen. Personen die geen geldige kaart hebben moeten zeer lang wachten op de afgifte of verlenging van hun kaart en hebben inmiddels geen toegang tot sociale uitkeringen, gezondheidszorg of de arbeidsmarkt.
Verzoeker wijst verder op het arrest van de Nederlandse Raad van State van 28 juli 2021 waarin  werd vastgesteld dat de omstandigheden in Griekenland de vluchtelingen niet in staat stellen te voorzien in hun belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Verzoeker wijst er ook op dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen ook niet via de programma’s van Helios of IOM. Duizenden statushouders en terugkerende statushouders moeten aldus maanden wachten alvorens een nieuwe verblijfskaart wordt afgegeven. Zonder deze status kaan geen sociale zekerheidsnummer worden aangevraagd, waardoor er geen toegang is tot huisvesting, sociale voorzieningen, medische zorg of de arbeidsmarkt.
 
Uit de door verzoeker aangebrachte informatiebronnen blijkt dat begunstigden van internationale bescherming die terugkeren naar Griekenland geconfronteerd worden met zeer ernstige problemen op het vlak van huisvesting, tewerkstelling en dienvolgens toegang tot een adequate medische zorg. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker verschillende malen werd opgenomen voor een PTSD-syndroom met paranoïde-psychotische elementen en nog steeds onder behandeling is van zware antipsychotica. Er kan dus worden aangenomen dat verzoeker een kwetsbaar profiel heeft en dat zijn zelfredzaamheid, zonder de adequate medische zorg, beperkt is.
 
Uit deze vaststelling blijkt dat begunstigden van internationale bescherming in Griekenland zoals verzoeker zich er in erg moeilijke en soms schrijnende levensomstandigheden kunnen bevinden en geconfronteerd kunnen worden met belemmeringen inzake de toegang tot o.a. socio-economische en medische hulp voor erkende vluchtelingen. Gezien het bijzonder kwetsbaar profiel van verzoeker, kan niet zonder meer worden verwezen naar de algemene situatie en het feit op zich dat Griekenland een lid is van de Europese Unie. Verzoeker maakt aannemelijk dat, wat hem betreft, er zeer ernstige drempels zijn die de toegang tot een adequate zorg in Griekenland compromitteren. Door enkel te verwijzen naar de Griekse wetgeving uit 2016 en de internationale rechtsregels die Griekenland binden, heeft de verwerende partij onvoldoende onderzocht of verzoeker effectief toegang zal hebben tot de noodzakelijke adequate medische zorg. Verzoeker maakt dan ook een schending van artikel 3 van het EVRM in samenhang met het zorgvuldigheidsbeginsel aannemelijk.
 
In de nota met opmerkingen herhaalt de verwerende partij de motieven van de bestreden beslissing. Hiermee worden bovenstaande vaststellingen met betrekking tot de toegankelijkheid niet weerlegt. Waar de verwerende partij aanvoert dat de rapporten niet up-to-date zijn, merkt Raad op dat de bestreden beslissing zelf wordt verwezen naar de wetgeving van 2016, zodat deze nog minder actueel is. Verweerder laat na enig concrete gegevens aan te brengen waaruit kan blijken dat de situatie in Griekenland sedert de rapporten die verzoeker aanhaalt aanzienlijk zou zijn verbeterd. Waar in de aanvullende stukken wordt verwezen naar een rapport van UNHCR met betrekking tot de rechten van vluchtelingen in Griekenland, bevatten deze stukken geen gegevens dat een ander licht werpt de hierboven beschreven beperkingen van de toegankelijkheid van medische zorg.
 
Het middel is in de aangegeven mate gegrond.