Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27.366 - 14-05-2009

Samenvatting

Verweerder betwist de Palestijnse origine van verzoeker niet evenals het feit dat hij geboren is in Libanon en dat hij daar heeft gewoond. Het rapport van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa van 15 mei 2003 dat verzoeker voorlegt, dateert van na de eerste twee asielaanvragen van verzoeker. Uit het document dat verweerder naar voren brengt, blijkt niet dat de situatie van Palestijnse vluchtelingen in Libanon verbeterd is sinds 2003. Integendeel, het document toont duidelijk de aanhoudende moeilijkheden voor de bevolking van Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon in het algemeen en in het bijzonder voor de bevolking van het kamp waar de familie van verzoeker verblijft. Uit de stukken naar voren gebracht door de partijen kan de Raad niet besluiten tot een verbetering van de situatie van Palestijnse vluchtelingen in Libanon. Het feit dat verzoeker in de vragenlijst van de Dienst Vreemdelingenzaken naliet te vermelden dat zijn vader en broer werden gearresteerd in 2007, is niet van die aard dat het toelaat om deze feiten als niet bestaande te beschouwen. De Raad kan niet uitsluiten dat verzoeker en zijn familie momenteel het voorwerp uitmaken van vervolgingen door Fatah en de Libanese autoriteiten. De Raad merkt nog op dat de verwijzing in de bestreden akte naar de afwezigheid van een gewapend conflict in Libanon niet afdoende is gemotiveerd in die zin dat het niet gaat over het land van verzoeker, waar hij overigens nooit heeft van beweerd de nationaliteit te hebben, maar over zijn gebruikelijke verblijfplaats. De Raad oordeelt dat er in casu voldoende aanwijzingen zijn om tot de gegrondheid van de vrees om vervolgd te worden om politieke redenen in de zin van art. 1 van de Conventie van Genève, te besluiten.