Samenvatting
In haar middelen betoogt verzoekster vervolgens dat bij de beoordeling van haar aanvraag rekening had moeten worden gehouden met “het criterium van artikel 6.4” van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn). Zij stelt dat zij “duidelijk als schrijnend geval dient aanzien te worden en humanitaire redenen ruim aanwezig zijn”. Zij wijst hierbij concreet op het gegeven van het “zeer lange verblijf”, “de totale integratie” en ook op “de medische problematiek van de zoon”.
De betrokken bepaling luidt als volgt:
“De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.”
De Raad wijst er vooreerst op dat een bepaling uit een richtlijn slechts rechtstreekse werking heeft indien een lidstaat heeft nagelaten de richtlijn binnen de hierin bepaalde termijn om te zetten in nationale wetgeving of deze richtlijn niet op correcte wijze heeft omgezet, en indien de bepaling van de richtlijn duidelijk en onvoorwaardelijk is en niet afhankelijk is van een discretionaire uitvoeringsmaatregel (K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Constitutional Law of the European Union, Londen, Sweet & Maxwell, 2005, nrs. 17-048 en 17-124). Een rechtstreekse werking vereist dus dat vaststaat dat de betrokken EU-richtlijn duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen bevat die geen verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregel door EU-instellingen of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken (HvJ 4 december 1997, C-253/96 tot en met C-258/96, Kampelmann, punt 42; zie tevens HvJ 3 december 1992, C-140/91, C-141/91, C-278/91 en C-279/91, Suffritti, punt 13).
In tegenstelling tot wat verzoekster lijkt voor te houden, voorziet de Terugkeerrichtlijn niet in de aflevering van een verblijfsvergunning. Het Hof van Justitie stelde al eerder vast dat de doelstelling van deze richtlijn zich niet uitstrekt tot een regeling van de verblijfsvoorwaarden op het grondgebied van een lidstaat van illegaal verblijvende derdelanders ten aanzien van wie een terugkeerbesluit niet kan of niet kon worden uitgevoerd. Overeenkomstig artikel 79, lid 2 VWEU heeft de Terugkeerrichtlijn tot doel om op basis van gemeenschappelijke normen en juridische waarborgen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, kunnen worden teruggezonden (HvJ 5 juni 2014, C-146/14 PPU, pt. 38 en 87, Mahdi).
Artikel 6.4 van de Terugkeerrichtlijn verplicht Lidstaten dus niet tot het verlenen van verblijfsver-gunningen aan illegaal verblijvende derdelanders (HvJ 5 juni 2014, C-146/14 PPU, pt. 89, Mahdi), maar bepaalt enkel dat lopende terugkeerprocedures worden beëindigd en al uitgevaardigde terugkeer-besluiten of verwijderingsbesluiten moeten worden ingetrokken of geschorst wanneer een lidstaat beslist om een illegaal verblijvende derdelander een verblijfsvergunning te verlenen.
Uit de bewoordingen van artikel 6.4 van de Terugkeerrichtlijn volgt duidelijk dat lidstaten te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen “kunnen” beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. Het betreft hier een zogenaamde “kan” bepaling die niet mag worden beschouwd als een rechtsregel die op duidelijke en onvoorwaardelijke wijze rechten toekent aan illegaal verblijvende derdelanders zonder dat verdere nationale wetgeving is vereist, noch kan in deze bepaling een automatische en rechtstreekse verplichting in hoofde van lidstaten tot het regulariseren van illegaal verblijf worden gelezen.
Het onderdeel van artikel 6.4 van de Terugkeerrichtlijn waarop verzoekster zich beroept, is niet meer dan een verwijzing naar de mogelijkheid voor Lidstaten om het illegaal verblijf van derdelanders in schrijnende gevallen of om humanitaire of andere redenen te regulariseren, hetgeen behoort tot hun soevereine bevoegdheid. Indien Lidstaten, in het kader van hun prerogatief op migratiecontrole, gebruik willen maken van de mogelijkheid om het illegaal verblijf van derdelanders in schrijnende gevallen of om humanitaire of andere redenen te regulariseren, dan beschikken zij daarbij over een ruime beleidsvrijheid.
In het licht van deze elementen blijft verzoekster derhalve in gebreke om aan te tonen dat in casu aan de vereisten voor een directe werking is voldaan, zodat zij zich niet dienstig op dit onderdeel van artikel 6.4 van de Terugkeerrichtlijn kan beroepen.
Verzoekster kan verder niet worden gevolgd in haar betoog dat artikel 6.4 van de Terugkeerrichtlijn tot gevolg heeft dat de invulling van het begrip buitengewone omstandigheden opgenomen in artikel 9bis van de Vreemdelingenwet ruimer dient te worden geïnterpreteerd. Verzoekster kan deze bepaling niet meer laten zeggen dan wat zij zegt, namelijk dat als beslist wordt tot het toekennen van een verblijfsvergunning in schrijnende gevallen of om humanitaire of om andere redenen – wat volledig behoort tot de soevereine en discretionaire bevoegdheid van de lidstaten – er in dat geval geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd of een eerder uitgevaardigd terugkeerbesluit wordt ingetrokken of opgeschort.
Er kan voor het overige worden verwezen naar wat hierboven werd gesteld inzake verzoeksters integratie opgebouwd tijdens het verblijf in België. Met haar verwijzing naar artikel 6.4 van de Terugkeer-richtlijn weerlegt verzoekster de beoordeling hieromtrent niet. Voor zover verzoekster verwijst naar “de medische problematiek van de zoon”, dient te worden vastgesteld dat nergens uit het administratief dossier kan worden afgeleid dat verzoekster een kind heeft, laat staan dat dit kind medische problemen zou hebben.