Samenvatting
Het huwelijk van de vader van verzoekster werd nietig verklaard wegens schijnhuwelijk, waardoor het verblijfsrecht van vader, bekomen op grond van dit huwelijk, geacht wordt nooit te hebben bestaan. Tengevolge daarvan verliezen ook zijn kinderen, waaronder verzoekster, het recht op verblijf, vermits dit de grondslag vond in het verblijf van de vader in het kader van gezinshereniging. De familieleden dienen aldus na te gaan of zij op eigen gronden een verblijfsrecht kunnen verwerven. Daar er geen sprake is van een feitelijk gezin met een vreemdeling die legaal in België verblijft, is er geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM. De opgebouwde integratie gedurende het verblijf en de bestaande sociale relaties, worden niet beschermd door artikel 8 EVRM. Wanneer het recht op verblijf verloren is, in casu door het verlies van verblijf van de persoon met wie gezinshereniging bekomen was, kan men niet meer beschouwd worden als ‘gevestigde of gemachtigde vreemdeling’ en zijn bijgevolg de artikelen 20 en 21 VW niet van toepassing. Daar er geen sprake is van een gedwongen uitvoering, doch enkel een bevel werd betekend, en bovendien verzoekster niet het statuut van gevestigde vreemdeling heeft, is artikel 39/79 VW niet van toepassing. Niettegenstaande artikel 202 BW stelt dat de nietigverklaring van een huwelijk voor de kinderen slechts gevolgen ex nunc kan hebben, kan niet geoordeeld worden dat in het kader van de verblijfsreglementering geen rekening mag gehouden worden met de nietigverklaring van het huwelijk van de vader van verzoekster om te besluiten dat er geen sprake meer is van gezinshereniging en dienvolgens het verblijfsrecht wordt verloren. Verzoekster is wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarig kind dat met haar meereist, zodat het volstaat dat enkel een bevel tot verlaten van het grondgebied met vermelding van de naam van het kind wordt betekend aan verzoekster, en is het niet nodig dat een apart bevel tot terugbrenging gegeven wordt aan de minderj