Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 282.725 - 9-01-2023

Samenvatting

De seksueel getinte foto’s worden door de commissaris-generaal niet aanvaard als geldig bewijselement om verzoekers seksuele geaardheid te staven. Er wordt in de bestreden beslissing terecht verwezen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) die erop wees dat de mogelijkheid dat nationale overheden aanvaarden dat asielzoekers video-opnamen van hun intieme handelingen overleggen, naast het feit dat zij niet noodzakelijkerwijs bewijswaarde hebben, afbreuk doet aan de menselijke waardigheid, waarvan artikel 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie de eerbiediging waarborgt. Bovendien zou het toelaten of aanvaarden, aldus het Hof van Justitie, van een dergelijk type bewijs een stimulans voor andere verzoekers om internationale bescherming vormen en zou dat er feitelijk op neerkomen dat dergelijke bewijzen van hen worden verlangd (HvJ 2 december 2014, gevoegde zaken C-148/13 tot en met C-150/13, pt. 65-66). Aldus besluit het Hof van Justitie:
“Artikel 4 van richtlijn 2004/83, gelezen in het licht van artikel 1 van het Handvest, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat die autoriteiten in het kader van dat onderzoek bewijsmateriaal aanvaarden als het demonstratief verrichten van homoseksuele handelingen door de betrokken verzoeker, het ondergaan van „tests” om zijn homoseksualiteit te bewijzen of het voorleggen van videoopnamen van dergelijke handelingen.” (ibid., pt. 72).
 
Verzoeker wijst er in zijn verzoekschrift op dat zijn “productie van een intieme video” een persoonlijk en spontaan initiatief was van hem en zijn metgezel en dat het gaat om een vrijwillige stap om zijn seksuele geaardheid aan te tonen. Hij stelt ook nog dat hij op de overgelegde foto's actief en passief is in de seksuele relatie. Gelet op het intieme karakter van de neergelegde foto’s en de bescherming van de menselijke waardigheid, oordeelt de Raad evenwel dat de commissaris-generaal terecht heeft verwezen naar voornoemde rechtspraak van het Hof van Justitie, waaruit blijkt dat de Europese regelgeving zich ertegen verzet dat nationale autoriteiten dergelijk bewijsmateriaal aanvaarden in het kader van een onderzoek van een verzoek om internationale bescherming. Verder stelt de Raad vast dat dergelijke foto’s gemakkelijk kunnen worden geënsceneerd en gemanipuleerd en alzo gesolliciteerd van aard kunnen zijn. Daar een homoseksuele geaardheid bovendien een intrinsiek onderdeel uitmaakt van iemands persoon, vormt het neerleggen van dergelijk beeldmateriaal op zich geen voldoende bekwijskrachtig element dat op overtuigende, laat staan doorslaggevende, wijze een voorgehouden geaardheid aannemelijk kan maken.