Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 283.100 - 12-01-2023

Samenvatting

De Raad leest in het verzoekschrift geen concrete betwisting van volgende vaststelling in de bestreden bijlage 20: “Bijkomende dient te worden opgemerkt dat betrokkene en de referentiepersoon niet afdoende kunnen aantonen dat betrokkene voorafgaand aan de huidige aanvraag gezinshereniging en reeds van in het land van herkomst deel uitmaakte van het gezin van de referentiepersoon”.
 
Verzoekster benadrukt wel dat ze in België op hetzelfde adres wonen en hier een huishouden vormen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verzoekster heeft bewijzen overgemaakt van vier geldstortingen die ze in België ontvangen heeft van haar oom in juni en juli 2022, dit vanuit een Franse bankrekening. Voorts blijkt uit de stukken die verzoekster ook heeft voorgelegd en meer bepaald het arbeidscontract en de loonfiches van haar Franse oom, dat deze is tewerkgesteld door een Franse werkgever met standplaats in Aix-en-Provence, dat hij sedert 22 februari 2022 door deze werkgever is uitgestuurd naar een boorplatform in Angola, dat hij een verblijfsadres heeft in Cernay in Frankrijk, “op meer dan 500km van Antwerpen verwijderd” en dat hij in een werkcyclus zit van vier opeenvolgende werkweken in Angola en dat hij vier weken in Frankrijk kan doorbrengen voor verlof in onderling overleg. Verzoekster houdt in haar verzoekschrift voor dat haar oom tijdens zijn verlof in België verblijft bij haar en haar broer, maar dit is slechts een bloot betoog. Alleszins, zelfs als dit moet worden aangenomen, beantwoordt deze situatie in België niet aan het begrip deel uitmaken van het gezin van de burger van de Unie zoals geduid door het Hof van Justitie (cf. supra). Verder toont verzoekster niet aan dat haar nauwe, duurzame persoonlijke band die ze voorhoudt te hebben met haar oom is ontstaan in hetzelfde huishouden en in het kader van een gemeenschappelijk huiselijk leven in Marokko. Verzoekster poneert dit wel in haar verzoekschrift maar toont het niet aan. De bestreden bijlage 20 vermeldt dat verzoekster heeft neergelegd, een “attestation de de résidence” dd. 30.05.2022 waarin de lokale autoriteiten van Zaio verklaren dat betrokkene en de referentiepersoon al sedert 2011 woonachtig zijn op hetzelfde adres in Marokko, met name het adres “Rue Quebac 4 - El Amal/Zaio”. Verzoekster betrekt dit stuk niet in haar verzoekschrift. De Raad voegt er voor de volledigheid aan toe dat dit stuk geen bewijswaarde kan worden toegedicht. Het stuk bevindt zich in een Franse vertaling in het administratief dossier. Het zegt niet meer dan dat verzoekster en haar oom samenleven op hetzelfde adres in Marokko sedert 2011. Het attest vermeldt niet op basis van welke concrete gegevens de Marokkaanse autoriteit die het stuk heeft ondertekend tot deze conclusie kwam. Dit Marokkaans attest en wat het zegt klemmen des te meer aangezien op de loonfiches van verzoeksters Franse oom, die zich bevinden in het administratief dossier, kan worden gelezen dat deze op 1 juli 2011 in dienst is getreden voor de Franse werkgever met standplaats in Aix-en-Provence.
 
De in punt 2.10. vermelde overwegingen blijven dan ook overeind.
 
Verzoekster benadrukt in haar verzoekschrift de geldstortingen die aan haar werden gericht in Marokko. Zij betoogt dat ze zeer duidelijk dateren “van voorafgaand aan de binnenkomst in België en de eerste aanvraag tot gezinshereniging”. Ze stelt dat verweerder deze beoordeelt als zijnde te gering en onregelmatig en dat ze voor het overige niet worden betwist door de verwerende partij.
 
De Raad leest in de bestreden bijlage 20 nergens dat verweerder de geldstortingen te gering en onregelmatig acht. Wel leest hij hierin een opsomming van de geldstortingen die verzoekster zou hebben ontvangen in Marokko, waarvan de oudste dateert van 23 oktober 2018 en de recentste van 6 december 2019. De Raad leest in de bestreden bijlage 20 ook dat verzoeksters verblijfsaanvraag dateert van 3 mei 2022, dat ze eerder een Schengenvisum voor één binnenkomst ontving, uitgereikt door de Spaanse autoriteiten waarbij ze samen met haar overige gezinsleden in januari 2018 de Schengenzone binnenkwam, dat ze ter ondersteuning van haar verblijfsaanvraag een paspoort heeft voorgelegd dat is uitgereikt op 26 januari 2021 in Antwerpen, zonder enige visa of in- en uitreisstempels, dat het onduidelijk is waar ze verbleef tussen begin 2018 en begin 2021 en dat er vier geldstortingen zijn in België vanwege de referentiepersoon in juni en juli 2022. Voorts kan in de bestreden bijlage 20 worden gelezen: “Voor zover zij dus zou willen bewijzen reeds ten laste te zijn van haar oom van uit haar land van herkomst of origine kunnen wij niet vaststellen over welke periode zij haar onvermogen zou moeten bewijzen, alsook het ten laste zijn.” Met dit alles geeft verweerder impliciet doch duidelijk aan dat verzoekster niet aantoont ten laste te zijn geweest van haar Franse oom in een periode die het indienen van haar verblijfsaanvraag in mei 2022 voorafgaat. De laatste geldstorting die ze van haar Franse oom zou hebben ontvangen in Marokko dateert immers van 6 december 2019 toen ze vermoedelijk ook al niet meer in Marokko verbleef. Er zijn immers aanduidingen dat verzoekster na haar binnenkomst in de Schengenzone in januari 2018 niet meer is teruggekeerd naar Marokko (geen paspoort met uit- en inreisstempels na januari 2018, in juli 2019 en mei 2022 komt verzoekster niet mee met haar gezinsleden op vakantie naar Spanje, daar waar ze de eerste keer in januari 2018 wel meekwam) en op het Schengengrondgebied is blijven hangen, waarbij het onduidelijk is hoe ze voorzag in haar levensbehoeften. Het is alleszins duidelijk dat het niet haar Franse oom was die hierin voorzag, vermits er geen bewijzen van geldstortingen worden overgemaakt die van hem afkomstig zijn en die verzoekster als bestemmeling voorzien, dit voor de periode januari 2020 - juni 2022.
 
Bovendien, zelfs als moet worden aanvaard dat verzoekster heeft aangetoond in Marokko onvermogend te zijn geweest en aldaar geldstortingen vanwege haar Franse oom te hebben ontvangen tussen oktober 2018 en december 2019 en dat deze periode zou volstaan om te worden beschouwd als “voorafgaand” aan de verblijfsaanvraag in mei 2022, blijkt uit de bestreden bijlage 20 dat verweerder van oordeel is dat verzoekster niet aantoont afhankelijk te zijn geweest van de geldsommen die haar oom haar toezond om te voorzien in haar levensbehoeftes. Immers duidt verweerder dat verzoekster in Marokko als gezin samenwoonde met haar broer, haar zus en haar ouders en dat zij, ook al zou zij in Zaio/Nador geen beroep uitoefenen of geen onroerend goed bezitten, als student – bij haar visumaanvraag in 2018 had zij die hoedanigheid opgegeven, wat zij ook niet betwist – werd onderhouden “door haar vader/ouder”. Verweerder duidt immers dat verzoeksters vader bij drie ingediende visumaanvragen om een vakantie door te brengen in Spanje – die daadwerkelijk hebben geleid tot de afgifte van visa, in december 2018 voor het hele gezin m.i.v. verzoekster en haar broer, in juli 2019 voor verzoeksters ouders en haar jongste zus en in mei 2022 voor verzoeksters ouders – heeft verklaard ambtenaar te zijn en te beschikken over voldoende bestaansmiddelen om met zijn gezin op vakantie te gaan in Spanje. Zoals verweerder terecht stelt in de bestreden bijlage 20 kunnen giften uit welwillendheid vanwege de referentiepersoon aan verzoekster, die via haar vader/ouder wel beschikt over financiële middelen om te voorzien in haar basisbehoeften, niet in aanmerking worden genomen als bewijs dat verzoekster ten laste was van haar Franse oom in Marokko. Zoals verweerder terecht opmerkt in zijn nota, bevatten de overschrijvingen verricht door haar oom te haren gunste ook geen enkele melding met welke intentie ze zijn verstuurd of welke doeleinden de bedragen moesten gebruikt worden.
 
Het betoog van verzoekster in haar verzoekschrift kan aan dit alles geen afbreuk doen. Ze benadrukt de geldstortingen die ze ontving van haar Franse oom “voorafgaand aan de aanvraag tot gezinshereniging” waarmee ze volgens haar heeft bewezen dat ze financieel ten laste was van haar oom. Verzoekster geeft aan “daarnaast” ook haar onvermogendheid in het land van herkomst afdoende te hebben bewezen, die volgens haar “duidelijk [blijkt] uit het administratief dossier” en “Daarnaast” ook te hebben aangetoond dat zij geen enkele vorm van inkomsten had in Marokko van 2014 tot en met 2022, waarbij ze verwijst naar de “bijgebrachte Marokkaanse attesten”.
 
Zelfs als kan worden aanvaard dat de door haar bijgebrachte Marokkaanse attesten aantonen dat verzoekster in Marokko geen werk had en ook geen onroerende goederen bezat waarop belasting werd betaald, noch eigen inkomsten en zij dus zelf onvermogend was, dient te worden vastgesteld dat zij niets inbrengt tegen de vaststellingen van verweerder dat zij in Marokko werd onderhouden door haar “vader/ouder”, dat deze beschikte over voldoende financiële middelen om te voorzien in haar basisbehoeftes en dat giften die uit welwillendheid worden overgemaakt niet in aanmerking kunnen worden genomen om vast te stellen dat zij in Marokko ten laste was van haar Franse oom. Verzoekster benadrukt in haar verzoekschrift immers de geldstortingen die ze kreeg van haar Franse oom, maar toont niet aan dat ze hierop was aangewezen om te voorzien in haar levensbehoeftes en dat het dus meer was dan een financiële bonus naast de middelen die haar “vader/ouder” voorzag. Verzoekster benadrukt in haar verzoekschrift voorts dat de afhankelijkheidsrelatie met haar oom ook blijkt uit de Marokkaanse pleegvoogdij, genaamd khafala. In de bestreden bijlage 20 kan hierover worden gelezen: “Notariële verklaring op eer (“Kafala") van derden dd. 22.02.2022 en gewone verklaring op eer van de referentiepersoon, waarin wordt verklaard dat betrokkene geen bezittingen heeft en al sedert 10 jaar enkel door de referentiepersoon ten laste wordt genomen en wordt onderhouden. Deze verklaringen hebben echter een gesolliciteerd karakter en kunnen niet getoetst worden niet op hun feitelijkheid en waarachtigheid”. Gelet op de lezing van deze stukken in hun Franse vertaling, die zich bevinden in het administratief dossier, kan de Raad de door verweerder gedane beoordeling ervan niet kennelijk onredelijk achten. Immers betreft “de Kafala” niet meer dan het noteren door een Marokkaanse notaris van een verklaring van 12 getuigen die stereotiep verklaren dat de Franse oom van verzoekster de twee kinderen van zijn zus ten laste neemt in al hun dagelijkse behoeftes en dit sinds meer dan 10 jaar. Een gelijkaardige verklaring heeft de Franse oom van verzoekster zelf afgelegd. Geen van beide attesten vermeldt ook maar iets van concrete gegevens inzake deze tenlasteneming en dus kan hieraan geen bewijswaarde worden toegekend. In de nota met opmerkingen kan bovendien worden gelezen: “In de Marokkaanse wet n° 15-01 van 13 juni 2002 betreffende de tenlasteneming van kinderen wordt de 'Kafala' gedefinieerd als volgt: "De Kafala is een islamistisch rechtsinstituut dat het vrijwillig engagement inhoudt van een persoon of van een familie om een verlaten en minderjarig kind ten laste te nemen en te zorgen voor zijn bescherming, opvoeding en onderhoud zoals een vader dat zou doen voor zijn kind." (EHRM nr. 52265/10 van 16 december 2014 (Chbihi Loudoudi e.a. t. Belgie)) Men heeft het in desbetreffende wetsartikel over de gerechtelijke kafala en over minderjarige kinderen. Terwijl verzoekster meerderjarig is! Een notariele kafala-akte daarentegen kenmerkt zich door de afwezigheid van enige rechtelijke controle en heeft slechts beperkte gevolgen: zij doet de rechten en de verplichtingen van de juridische ouders van het kind niet verdwijnen. Het ouderlijk gezag blijft bij een notariele kafala-akte met andere woorden toebehoren aan de biologische ouders van het kind en komt niet toe aan de kafil. Omdat het rechtsinstituut van de gerechtelijke kafala, in tegenstelling tot dat van de notariele kafala, wel wettelijk geregeld is, biedt een kafala-akte verkregen via de rechtbank meer juridische garanties dan een notariele kafala-akte, vandaar dat er geen rekening kan worden gehouden met de voorgelegde notariele akte. Uit het administratief dossier blijkt dat beide ouders van verzoekster nog in leven zijn, hun laatste visumaanvraag voor Spanje was nog in mei 2022 goedgekeurd.” Verzoekster heeft een pleitnota ingediend maar brengt niets in tegen voormelde passage in de nota met opmerkingen, waardoor deze overeind blijft.
 
Bovendien verschaft verzoekster geen duidelijkheid over de vraag waar ze vertoefde tussen januari 2018 en januari 2021 toen ze in Antwerpen een Marokkaans paspoort kreeg uitgereikt en hoe ze dan voorzag in haar basisbehoeftes. Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat uit “de door haar bijgebrachte stukken” blijkt dat ze pas vanaf 10 januari 2020 “de Schengenzone” opnieuw heeft betreden en dat het gegeven dat ze vroeger de Schengenzone via Spanje binnenkwam met haar gezinsleden niet wil zeggen dat ze daarna op Belgische bodem heeft verbleven. In het administratief dossier zit echter geen stuk dat aantoont dat verzoekster de Schengenzone heeft verlaten na januari 2018 en hierin opnieuw toekwam op 10 januari 2020. Verzoekster verduidelijkt ook niet uit welk door haar overgemaakt stuk zou blijken dat ze op 10 januari 2020 de Schengenzone opnieuw heeft betreden. Zulks kan enkel worden aangetoond door een paspoort over te maken met uit- en inreisstempels, quod non. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster bij de stad Antwerpen enkel een kopie heeft neergelegd van haar Marokkaans paspoort dat in Antwerpen werd uitgereikt in januari 2021. Het volstaat niet om in het verzoekschrift louter te poneren dat er bij de stad Antwerpen een “stuk 1- Binnenkomst EU (Zaio Marokko) -Brussel België” werd neergelegd, om daaruit te besluiten dat verzoekster op 10 januari 2020 de Schengenzone opnieuw heeft betreden. Uit de door haar overgemaakte geldstortingen via Western Union kan ook niet blijken dat verzoekster daadwerkelijk in Marokko verbleef tot december 2019 en vervolgens in januari 2020 het Schengengrondgebied weer betrad, zoals ze nochtans voorhoudt in haar verzoekschrift. Ze betoogt wel maar toont niet aan dat de inontvangstname van de overgeschreven bedragen daadwerkelijk haar persoonlijke aanwezigheid vereiste omdat de gelden slechts werden vrijgegeven na identiteitscontrole van de bestemmeling van de overschrijvingen. Voorts geeft verweerder nergens aan dat verzoekster al voor januari 2021 in België verbleef, wel dat het onduidelijk is waar ze verbleef van januari 2018 tot januari 2021, toen ze in België een Marokkaans paspoort kreeg uitgereikt.
 
Verzoekster is de overtuiging toegedaan dat ze met de door haar overgemaakte stukken zeer duidelijk heeft aangetoond of minstens aannemelijk heeft gemaakt ten laste te zijn geweest van haar Franse oom, dit voorafgaand aan de eerste aanvraag tot gezinshereniging, en dat ze afdoende heeft aangetoond te voldoen aan de voorwaarden van artikel 47/1 juncto artikel 47/3 van de Vreemdelingenwet waaraan verweerder naar haar oordeel een verkeerde lezing heeft gegeven, maar hiermee en met haar theoretische beschouwingen en verwijzingen naar rechtspraak in andere gevallen kan ze de bestreden bijlage 20 niet aan het wankelen brengen.
 
In fine van het eerste middel werpt verzoekster op dat de Raad bij een wettigheidstoetsing dient na te gaan of het fair-play beginsel werd nageleefd en dat hij bevoegd is te toetsen aan het EVRM.
Verzoekster duidt niet wat het fair-play beginsel inhoudt en hoe de bestreden bijlage 20 dit geschonden heeft. Het komt de Raad niet toe dit zelf te gaan invullen ten behoeve van verzoekster. Voorts is de Raad bevoegd om te toetsen aan het EVRM, voor zover verzoekster duidt welke bepaling van dit verdrag werd geschonden door de bestreden bijlage 20 en op welke wijze dit is gebeurd, quod non.
 
Ten slotte poneert verzoekster: “Er is in de bestreden bijlage 20 op geen enkele redelijke en evenredige wijze toepassing gemaakt van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet. De inhoud van artikel 74/13 werd op geen enkele wijze ernstig afdoende overwogen. Noch werd nagegaan wat de gezins- en familiale toestand of de gezondheidstoestand van verzoekster zijn om de bestreden bijlage 20 (bevel om het grondgebied te verlaten) te nemen.”
 
Met dit betoog kan verzoekster bezwaarlijk de volgende afwegingen aan het wankelen brengen die figureren in de bestreden bijlage 20, waarbij blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met de elementen die figureren in artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet en hierover tevens heeft gemotiveerd:
 
“Hierbij werd wel degelijk rekening gehouden met art. 74/13 van de wet van 15.12.1980. Betrokkene is een gezonde en volwassen persoon waarvan mag verwacht worden dat zij ook een leven kan opbouwen in het land van herkomst of origine zonder de nabijheid van haar oom, de referentiepersoon. Nergens uit het dossier blijkt dat zij daar niet toe in staat zou zijn. Overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM kan slechts van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen meerderjarige verwanten gesproken worden indien, naast de afetammingsband, een vorm van afhankelijkheid blijkt (EHRM 9 oktober 2003, nr. 46321/99, Slivenko/Litouwen; EHRM 17 februari 2009, nr. 273191/ö7lOnur/Groot-Brittannië; N. MOLE. Asylum and the European Convention on Human Rights, Council of Europe Publishing, 2008,97). Andere gezinsbanden, bijvoorbeeld tussen meerderjarige broers en zussen, tussen meerderjarige kinderen en hun ouders, tussen ooms of tantes en neven of nichten, enz. vallen pas onder de bescherming van artikel 8 van hei EVRM in zoverre bijkomende elementen van afhankelijkheid worden aangetoond anders dan de normale affectieve banden (R.v.V. nr. nr. 142.746 van 3 april 2015). Uit niets blijkt dat een bevel om het grondgebied te verlaten betrokkene zou verhinderen met zijn in België wonende familie te communiceren via moderne communicatiemiddelen of via bezoeken door deze familie in Marokko. Een eventuele schending van art. 8 EVRM wordt dan ook niet aannemelijk gemaakt. Evenmin blijkt uit het administratieve dossier van betrokkene dat een terugkeer naar Marokko een mogelijke schending van artikel 3 EVRM zou inhouden. Om tot een schending van artikel 3 EVRM te kunnen besluiten, dienen er in het administratieve dossier immers ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig te zijn om aan te nemen dat betrokkene in Marokko een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Er is geen sprake van minderjarige kinderen in België, noch van enige aangetoonde medische problematiek op naam van betrokkene”.
 
Het eerste middel is niet gegrond.