Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 283.444 - 18-01-2023

Samenvatting

De Raad stelt samen met de verzoeker vast dat de beslissing tot beëindiging van het verblijf, en de in casu daartoe door artikel 44bis, §3, 1°, van de Vreemdelingenwet vastgestelde dwingende redenen van nationale veiligheid, enkel en alleen steunen op de informatie uit de voormelde nota’s van de VSSE. Dit wordt op zich niet betwist in de nota met opmerkingen. Noch uit de motieven van de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier, noch uit de nota met opmerkingen, blijkt dat de staatssecretaris bij het nemen van haar beslissing nog over enige andere, al dan niet geclassificeerde, bronnen van informatie aangaande de gedragingen van de verzoeker dan wel de Turkse Hezbollah in België beschikte.
 
De verzoeker geeft aan dat de nota van 22 april 2021 niets meer dan blote beweringen bevat. De verzoeker betwist de inhoud van deze nota en hij verwijst hieromtrent naar een aantal stukken die hij heeft overgemaakt naar aanleiding van zijn beroep tegen de eerder genomen beslissing tot beëindiging van verblijf. Deze stukken bevinden zich in het administratief dossier. Het gaat onder meer om twee attesten van 28 september 2021 waarin een boekhouder verklaart dat de NV S(…) en de NV J(…) de afgelopen 10 jaar geen giften hebben uitbetaald, een attest van Partena van 1 oktober 2021 met een overzicht van het personeelsbestand van de NV J(…) vanaf 1 januari 2010 en een aantal uittreksels uit het Belgisch Staatsblad en de KBO-databank betreffende de NV J(…) en de NV S(…). De verzoeker geeft aan dat hij heeft aangetoond dat zijn vennootschappen de laatste 10 jaar geen giften meer hebben gedaan, dat hij net als honderden anderen wel een bezoeker is van de genoemde moskee, maar dat dit van hem nog geen gevaarlijk individu maakt. Hij benadrukt dat, ook al is er geen strafrechtelijke veroordeling nodig om toepassing te maken van artikel 44bis van de Vreemdelingenwet, eenvoudige vermoedens of verdenkingen niet volstaan om een beëindigingsbeslissing te gronden. De verzoeker verwijst hieromtrent naar punt B.54.4. van het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 juli 2019, waarin wordt gesteld dat een dergelijke beslissing “gemotiveerd moet zijn door feiten en handelingen die kunnen worden aangetoond” alsook naar twee arresten van de Raad (RvV 8 december 2017, nr. 196 353 en RvV 16 december 2021, nr. 265 593).
 
De verzoeker betoogt voorts dat de verweerder de bestreden beëindigingsbeslissing steunt op een nota van de Staatsveiligheid van 7 lijntjes, die enkel 2 blote beweringen bevat, nl. dat de verzoeker een moskee financiert die het centrum van de Turkse Hezbollah is en dat hij de werkgever is van een aantal belangrijke militanten van deze beweging. Hij stelt vast dat deze nota geen enkele bronvermelding bevat, zodat hij niet weet waarop de VSSE zich steunt. De verzoeker voegt hieraan toe dat de Turkse Hezbollah in België naar het publiek toe geen enkele activiteit heeft, dat ze nooit een openbare bijeenkomst of een betoging heeft georganiseerd en dat er nooit leden administratief opgepakt of aangehouden zijn voor verstoring van de openbare orde of voor het plegen van misdrijven in hun hoedanigheid van lid van de Turkse Hezbollah. De verzoeker stelt tevens dat hij geen lid is van de Turske Hezbollah. Verder geeft hij aan dat hij de inhoud van de nota ontkent en dat er, in ondergeschikte orde, geen enkel element is dat erop wijst dat het financieren van voornoemde moskee enig probleem oplevert inzake de nationale veiligheid. De evenementen van Kutlu Dogum zijn volgens de verzoeker bij de publieke opinie volledig onbekend en er is in de pers nooit aandacht aan besteed, terwijl de nota van de VSSE ook niet uitlegt wat dit evenement betekent. De verzoeker stelt dat hij al meer dan 22 jaar in België gevestigd is en dat er in de nota van de VSSE geen enkele poging wordt ondernomen om de beweerde activiteit van financiering door verzoeker van de moskee te kwantificeren of te situeren in de tijd, dit terwijl de verweerder krachtens artikel 45 van de Vreemdelingenwet dient aan te tonen dat de verzoeker een actueel gevaar zou uitmaken voor de nationale veiligheid. In dit verband verwijst de verzoeker nog naar ’s Raads arrest nr. 205 782 van 22 juni 2018 waarin, voor een beslissing tot weigering van verblijf van een Turkse onderdaan op grond van artikel 43 van de Vreemdelingenwet, werd geoordeeld dat de verweerder niet jarenlang kan wachten om een beslissing te nemen en dat bovendien niet te begrijpen valt "waarom het inzamelen of overmaken van geldsommen voor een organisatie waarvan wordt gesteld dat ze in België de openbare orde verstoort een bedreiging zou kunnen inhouden voor de nationale veiligheid". De verzoeker voegt hieraan toe dat ook de navolgende weigeringsbeslissing werd vernietigd, bij arrest nr. 223 039 van 21 juni 2019, waarin onder meer belang werd gehecht aan het gegeven dat in de verslagen van de VSSE, waarop de verweerder zich baseert, geen melding wordt gemaakt van het feit dat de verzoeker, die reeds jaren wordt opgevolgd, ooit zelf concrete handelingen stelde die toelaten te concluderen dat hij strafbare feiten van terroristische aard heeft gepleegd of voorbereid, dat hij aanzette tot geweld of dat hij acties ondernam of verklaringen aflegde die dusdanig zwaarwichtig zijn dat kan worden geconcludeerd dat de nationale veiligheid in het gedrang kwam. De verzoeker meent dat a fortiori in zijn geval moet geconcludeerd worden dat, vermits in de nota niet wordt gesteld dat hij verantwoordelijk zou zijn voor de organisatie van wat dan ook, de verweerder niet aantoont dat hij omwille van dwingende redenen van nationale veiligheid uit België zou dienen verwijderd te worden.
 
De verzoeker betwist vervolgens tevens dat hij de werkgever is van verscheidene belangrijke militanten van de Turkse Hezbollah en hij meent dat de informatie die de VSSE heeft verkregen, kennelijk via een informant, feitelijk onjuist is, om de volgende redenen:
 
“Verzoeker had bij de aanvang van zijn verblijf, en zelfs al kort daarvoor in 1999, 2 vennootschappen: de ene is de BVBA O(…) waarvan sprake in de bestreden beslissing, die een bakkerij- voedingswinkel exploiteerde, en die hij enkele jaren nadien opgedoekt heeft, en de andere is de NV J(…), een patrimoniumvennootschap, waarvan hij bestuurder is geworden op 9 november 1999. Hij heeft in 2007 nog een tweede patrimoniumvennootschap overgenomen de NV S(…). Via deze 2 vennootschappen beheert hij een aantal verhuurde woningen. De NV J(…) stelde in het verleden een aantal mensen te werk voor het onderhoud van de woningen, maar de laatste vertrok op 31 december 2020 zoals blijkt uit een attest van het sociaal secretariaat Partena van 1 oktober 2021. Naast het feit dat verweerder niet aantoont dat deze ex-werknemers activisten of militanten zouden zijn van de Turkse Hezbollah, dient vastgesteld te worden dat verzoeker al bijna 2 jaar geen werkgever meer is. Het klein onderhoud doet hij nu zelf, het groot onderhoud laat hij doen door een aannemer”.
 
De verzoeker leidt uit dit alles af dat de nota van 22 april 2021 geenszins verantwoordt dat aan zijn verblijfsrecht een einde wordt gesteld om dwingende redenen van nationale veiligheid.
 
De verweerder brengt in de nota met opmerkingen in essentie naar voor dat de bronnen van de VSSE om evidente redenen niet moeten worden prijs gegeven, dat de verzoeker met de verklaringen van zijn boekhouder niet weerlegt dat hij via zijn vennootschappen NV J(…) en NV S(…) de El Gazalli-moskee en de evenementen van Kutlu Dogum sponsort, en dat de verzoeker zijn betrokkenheid bij de El Gazalli-moskee niet ontkent. Verder citeert de verweerder uit een arrest van de Raad van 11 oktober 2021 waarin eveneens de Turkse Hezbollah en de El Gazalli-moskee aan bod komen. Uit dit arrest leidt de verweerder af dat de verzoeker niet kan worden gevolgd in zijn argumentatie dat het financieren van de voormelde moskee geen probleem hoeft te zijn voor de nationale veiligheid. Tot slot stelt de verweerder dat de verzoeker het actueel karakter van de bedreiging voor de nationale veiligheid niet nuttig kan betwisten nu de VSSE op 2 december 2021, op 21 februari 2021 en op 12 juli 2022 heeft bevestigd dat de inhoud van de nota van 22 april 2021 nog steeds als actueel kan worden beschouwd.
 
De Raad merkt op dat de staatssecretaris bij haar beoordeling van het bijzonder ernstig gevaar dat van een vreemdeling uitgaat, inderdaad de nota’s van de VSSE kan betrekken ook al bevatten deze nota’s op zich geen bronvermelding. Dit impliceert evenwel niet dat de staatssecretaris kan voorbijgaan aan de verplichting om de vaststelling dat een vreemdeling effectief een bijzonder ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid te gronden op voldoende bewezen handelingen die van de betrokken vreemdeling zelf uitgaan. De bewijslast ligt op de staatssecretaris. De Raad herhaalt in dit verband dat de toepassing van artikel 44bis, §3, van de Vreemdelingenwet een verregaand individueel onderzoek vereist en dat uit de motieven van de beslissing de door de betrokkene gestelde concrete, relevante en bewezen handelingen, die steun vinden in het administratief dossier, moeten blijken waaruit kan worden afgeleid dat deze vreemdeling een bijzonder ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid derwijze dat er dwingende redenen van nationale veiligheid aan de orde zijn die de beëindiging van diens recht op verblijf rechtvaardigen. Dat onderzoek moet betrekking hebben op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en op het actuele gevaar dat uit dat gedrag voortvloeit.
 
De Raad kan enkel, samen met de verzoeker, vaststellen dat er geen concrete (actuele) feiten worden aangehaald in de nota’s en bevestigingsmails van de VSSE. In de bestreden beslissing, die betreffende de vastgestelde bijzonder ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid die van de verzoeker zou uitgaan volledig is gebaseerd is op voormelde nota’s, worden evenmin concrete feiten of handelingen geduid die door de verzoeker zouden zijn gesteld en waarvan een bijzonder ernstige bedreiging zou uitgaan voor de nationale veiligheid. Ook uit de nota met opmerkingen blijken dergelijke concrete feiten niet. Het gegeven dat in de nota van de VSSE van 22 april 2021 (die nadien nog driemaal in haar actualiteit werd bevestigd zonder dat er echter concrete aanvullende inlichtingen werden verstrekt) wordt vastgesteld dat de verzoeker kan worden beschouwd als een van de verantwoordelijken voor de financiering van de Turkse Hezbollah in België (door middel van sponsoring via zijn bedrijven van de El Gazalli-moskee en de evenementen van Kutlu Dogum, en als werkgever van een aantal belangrijke militanten) en het gegeven dat in de nota van de VSSE van 3 november 2020 daarnaast een uiteenzetting wordt gegeven over de Turkse Hezbollah, volstaan niet.
 
Door te benadrukken dat zij gebruik maakte van gespecialiseerde verslaggeving, slaagt de verwerende partij er evenmin in aan te tonen dat de documenten van de VSSE die zij aanwendt voldoende concrete en bewezen feiten bevatten omtrent de handelingen die de verzoeker heeft gesteld en waaruit kan blijken dat hij de nationale veiligheid op bijzonder ernstige wijze dreigt te ondermijnen. Nergens wordt een concrete factuele basis toegelicht of bewijs voorgelegd, zoals de verzoeker ook aangeeft. Zo blijkt uit de enkele vaststelling van de VSSE, dat de verzoeker de Turkse Hezbollah financiert en de toevoeging dat deze beweging “de neiging heeft de ernstige criminele feiten (moorden, ontvoeringen, folteringen) waarvoor haar leden werden veroordeeld te minimaliseren en zelfs geheel te ontkennen. Meer in het algemeen heeft de Turkse Hezbollah nooit het geweld afgezworen dat het in het verleden gebruikt heeft. Evenzo worden in Turkije de gewelddaden die vandaag de dag gepleegd worden in naam van de Huda-Par of door leden van andere entiteiten die gelieerd zijn aan de beweging (Mustazaf-Der, Ihya-Der) voorgesteld als daden van verzet tegen de militanten van de HDP (Democratische Partij van de Volkeren in Turkije). In België sluit de beweging zich volledig aan bij de opvattingen van deze entiteiten, en blijft ze in verschillende omstandigheden een oorlogsretoriek gebruiken. Aldus werd ter gelegenheid van bepaalde gebeurtenissen opgeroepen tot de jihad binnen de gebedsruimte van de beweging. Een van de gevolgen met betrekking tot de risico’s die verbonden zijn aan de verspreiding van deze propaganda betreft de activiteiten die georganiseerd worden voor de jongeren van de beweging: Koranschool voor kinderen, zomerkampen, toezicht door de belangrijkste leiders van de beweging en hun families. Bovendien heeft de Turkse Hezbollah in februari 2020 in de moskee El Gazalli een evenement georganiseerd ter ere van de martelaren. Het evenement werd “Sehidleri Anma” genoemd (de herdenking van de martelaren). Volgens de VSSE is het duidelijk dat de ideologie van deze beweging nog steeds gericht is op de begrippen "jihad" en sharia", voorwaarden die ze noodzakelijk acht voor de vestiging van een echte islamitische Staat in Turkije, wat het ultieme doel is van deze groepering.”, nog niet dat de verzoeker zelf een lid zou zijn van de Turkse Hezbollah, noch dat hij binnen deze beweging een prominente rol zou spelen in het oproepen tot de jihad, al dan niet binnen de gebedsruimte van de El Gazalli-moskee. Hieruit blijkt evenmin dat de verzoeker zelf het in Turkije gepleegde geweld vergoelijkt of een oorlogsretoriek voert, of dat hij op de een of andere wijze concreet betrokken zou zijn in het verspreiden van de door de verweerder beschreven propaganda. Uit de vaststelling dat de verzoeker via zijn bedrijven de El Gazalli-moskee en de evenementen van Kotlu Dogum sponsort en dat hij de werkgever is van een aantal belangrijke militanten van de Turkse Hezbollah, blijkt ook geenszins dat de verzoeker zelf een belangrijke militant zou zijn, laat staan dat hieruit blijkt welk militant gedrag er precies van de verzoeker uitgaat dat dermate (staats)gevaarlijk is dat er sprake is van dwingende redenen van nationale veiligheid.
 
Het betoog in de nota met opmerkingen dat de verzoeker niet weerlegt dat hij de El Gazalli-moskee en de evenementen van Kotlu Dogum sponsort via zijn bedrijven, en dat de verzoeker zijn betrokkenheid bij de voormelde moskee op zich niet betwist, brengt evenmin duidelijkheid over de concrete (actuele) feiten die aan de basis liggen van de bijzonder ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid die van hem persoonlijk zou uitgaan.
 
Bovendien kan de verzoeker gevolgd worden in zijn standpunt dat in de nota’s van de VSSE geen enkele poging wordt gedaan om de beweerde financiering door de verzoeker te kwantificeren of te situeren in de tijd, in weerwil van de uit artikel 45 van de Vreemdelingenwet voortvloeiende verplichting om aan te tonen dat de verzoeker een actueel (en bijzonder ernstig) gevaar zou uitmaken voor de nationale veiligheid. De verweerder geeft in de nota met opmerkingen aan dat het actuele karakter van de vastgestelde ernstige bedreiging genoegzaam blijkt uit de bevestigingsmails van de VSSE van 2 december 2021, 21 februari 2022 en 12 juli 2022. De Raad kan de verweerder hierin evenwel niet bijtreden. Blijkens de stukken van het administratief dossier hebben de diensten van de VSSE immers na het overmaken van de informatie op 22 april 2021, geen enkele nieuwe concrete inlichting meer ingewonnen omtrent de verzoeker. Zo vroeg een medewerker van de Dienst Vreemdelingenzaken met een mail van 7 juli 2022 concreet of er nieuwe informatie met betrekking tot de verzoeker beschikbaar is, waarop een medewerker van de VSSE op 12 juli 2022 terugmailde met de volgende mededeling: “we beschikken niet over eigen aanvullende elementen, maar de vernoemde nota kan nog steeds als actueel worden beschouwd”. Ook op 21 februari 2022 berichtte een medewerker van de VSSE dat “er geen aanvullende inlichtingen (zijn) sinds onze laatste nota”, dit eveneens als antwoord op het verzoek van een medewerker van de Dienst Vreemdelingenzaken om haar in te lichten of er actuele informatie beschikbaar is met betrekking tot de verzoeker. Eenzelfde mailverkeer dat er “geen aanvullende inlichtingen” beschikbaar zijn sinds de laatste nota, werd gevoerd op 2 december 2021. De bevestiging van de actualiteit van de nota van 22 april 2021 berust aldus niet op een nieuw onderzoek dat door de VSSE werd gevoerd omtrent de gedragingen van de verzoeker. In elk geval blijkt dat de VSSE sinds de informatie van 22 april 2021 geen nieuwe gegevens over de verzoeker meer heeft verstrekt aan de diensten van de verweerder, zodat op geen enkele wijze kan worden geverifieerd wat de VSSE precies bedoelt met de vage vermelding dat de nota van 22 april 2021 nog steeds als “actueel” kan worden beschouwd.
 
Dit klemt in casu des te meer nu de verzoeker, in het kader van zijn beroep tegen de naderhand ingetrokken beëindigingsbeslissing van 5 januari 2022, een aantal documenten had overgemaakt waarmee hij de informatie van de VSSE van 22 april 2021 poogde te weerleggen. Het betreft onder meer twee attesten van 28 september 2021 waarin een boekhouder verklaart dat de NV S(…) en de NV J(…) de afgelopen 10 jaar geen giften hebben uitbetaald, een attest van Partena van 1 oktober 2021 met een overzicht van het personeelsbestand van de NV J(…) vanaf 1 januari 2010 en een aantal uittreksels uit het Belgisch Staatsblad en de KBO-databank betreffende de NV J(…) en de NV S(…). De verzoeker maakte deze documenten over in een poging om aan te tonen dat hij reeds geruime tijd geen werknemers meer heeft zodat hij dus ook geen militanten van de Turkse Hezbollah tewerkstelt, en dat de twee ondernemingen die hij thans nog heeft, al meer dan tien jaar geen giften meer hebben gedaan zodat er geen sprake is van een actuele sponsoring van de El Gazalli-moskee en de evenementen van Kotlu Dogum. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt niet dat de verweerder, alvorens opnieuw over te gaan tot de beëindiging van het verblijfsrecht om dwingende redenen van nationale veiligheid, de diensten van de VSSE heeft geconfronteerd met dit verweer van de verzoeker en met de door hem neergelegde documenten. Wel wordt hieromtrent in de bestreden akte als volgt gemotiveerd:
 
“Wat uw economische situatie betreft, blijkt uit uw administratief dossier dat u sinds 08/06/2000 bent ingeschreven als zelfstandige. In het kader van het hoorrecht verklaarde u op 18/08/2021 en op 9/03/2022 dat u geen school hebt gelopen In België en dat u reeds gewerkt hebt in uw land van herkomst, nl. in de tuinbouw in Nederland voor 1999. Ten tijde van uw aanvraag tot vestiging in België op 08/06/2000 gaf u aan dat u naar België kwam om hier te werken, en zowel in het buitenland als in België het beroep van zelfstandige uitoefende. U gaf verder aan uitbater van een voedingswinkel te zijn. U legde hierbij volgende documenten voor: een Nederlandse identiteitskaart (geldig tot 06/07/2000), een uittreksel uit het handelsregister voor de BVBA O(…) dd. 13/04/2000, een verklaring omtrent de hoedanigheid van belastingplichtige (BTW-aansluiting) dd. 29/11/1999, een bewijs van aansluiting bij het Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen dd. 07/06/2000, een vestigingsgetuigschrift van de BVBA O(…) dd. 20/12/1999, de statuten van de BVBA O(…) (uittreksel Staatsblad dd. 02/04/1999). U verklaarde verder op 18/08/2021 dat u oprichter bent van een vastgoedbedrijf met KBO nr. xxx.xxx.525 en sinds 1999 zonder onderbreking actief bent in België. Op 9/03/2022 verklaarde uw advocaat dat u eigenaar bent van het gebouw waar u woont gelegen te Antwerpen, (…)straat 27-29, alsook van het gebouw (…)straat 9 en 11. Uw advocaat verklaarde verder dat u daarnaast twee patrimoniumvennootschappen heeft: de NV J(…) en de NV S(…), waarvan u telkens 75% van de aandelen bezit en uw zoon F. 25%. In het verzoekschrift tot nietigverklaring dat op 3/02/2022 werd ingediend tegen de beslissing tot beëindiging van uw verblijf van 5/01/2022, wordt door uw advocaat aangehaald dat u bij aanvang van uw verblijf in België, en zelfs kort daarvoor in 1999, twee vennootschappen had: de bvba O(…), die een bakkerij-voedingswinkel exploiteerde en die u enkele jaren nadien opgedoekt heeft, en de nv J(…), een patrimoniumvennootschap waarvan u bestuurder bent geworden op 9/11/1999. Verder stelt uw advocaat dat u in 2007 nog een tweede patrimoniumvennootschap heeft overgenomen, de nv S(…). Via deze twee vennootschappen beheert u een aantal verhuurde woningen. Ter staving werden documenten uit de KBO m.b.t. de twee patrimoniumvennootschappen en een lijst van uw eigendommen en van uw twee patrimoniumvennootschappen voorgelegd. (…) Bovendien blijkt uit de nota van VSSE dd. 22/04/2021 dat u via uw handelszaken een van de belangrijkste bijdragers bent aan de financiering van de Turkse Hezbollah in België. In het verzoekschrift tot nietigverklaring dat op 03/02/2022 werd ingediend tegen de beslissing tot beëindiging van uw verblijf van 5/01/2022, stelt uw advocaat dat u het voorgaande ontkent en legt hiertoe een document voor waarin uw boekhouder verklaart dat u de laatste 10 jaar geen giften meer zou hebben gedaan. Verder stelt uw advocaat dat de nv J(…) in het verleden een aantal mensen tewerkstelde voor het onderhoud van de woningen, maar de laatste werknemer zou vertrokken zijn op 31/12/2020. Uw advocaat verwijst hiervoor naar een attest van het sociaal secretariaat Partena van 1/10/2021. Het voorgaande vormt echter geen bewijs van het tegendeel, namelijk dat u niet kan worden beschouwd als een van de verantwoordelijken voor de financiering van de Turkse Hezbollah in België. Naast officiële giften of officiële tewerkstellingen zijn er immers andere (al dan niet officiële) mogelijkheden tot verlening van financiële hulp.”
 
De staatssecretaris betwist aldus niet dat de bvba O(…) reeds jaren geleden werd opgedoekt en dat de verzoeker thans nog maar twee vennootschappen heeft, de NV J(…) en de NV S(…). Op zich wordt evenmin betwist dat deze vennootschappen geen werknemers meer tewerkstellen sinds eind december 2020 en dat zij de laatste tien jaar geen giften deden. De staatssecretaris geeft enkel aan dat deze gegevens “geen bewijs vormen van het tegendeel, namelijk dat u niet kan worden beschouwd als een van de verantwoordelijken voor de financiering van de Turkse Hezbollah in België” vermits er naast officiële giften of officiële tewerkstellingen ook andere (al dan niet officiële) mogelijkheden zijn tot verlening van financiële hulp. De verzoeker kan worden bijgetreden waar hij laat gelden dat deze motivering ondeugdelijk is, nu de bewijslast wordt omgedraaid. Het is inderdaad niet de verzoeker die moet bewijzen dat hij geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid, maar het komt de verweerder toe om te bewijzen dat hij dat wel zou zijn. Voorts blijkt uit de voorgaande motivering des te meer dat de verweerder zich bij de vaststelling van de dwingende redenen van nationale veiligheid niet baseert op concrete feiten en gedragingen van de verzoeker, nu de verweerder het geheel in het midden laat op welke wijze de verzoeker dan wel precies de Turkse Hezbollah in België zou hebben gefinancierd of hoe hij dan militanten te werk zou hebben gesteld. De staatssecretaris stelt wel, voor de vorm, in de bestreden beslissing dat de verzoeker in de mogelijkheid is om de beweringen van VSSE tegen te spreken of de juistheid ervan te weerleggen door het aanvoeren van stukken die hem vrijpleiten of die hem een alibi verschaffen, doch bij gebrek aan concrete factuele gegevens betreffende de door de VSSE meegedeelde informatie dat de verzoeker als een van de verantwoordelijken voor de financiering van de Turkse Hezbollah in België kan worden beschouwd, gaat het alle redelijkheid voorbij om met betrekking tot de hierboven besproken stukken van de verzoeker te oordelen dat hiermee geen tegenbewijs wordt geleverd omdat er naast officiële giften en officiële tewerkstellingen ook “andere mogelijkheden” zijn tot verlening van financiële hulp. Dit geldt des te meer daar in de bestreden beslissing aldus geen concrete, nog minder concrete actuele, feiten worden aangehaald.
 
Gelet op hetgeen voorafgaat, kan de Raad de verzoeker volgen waar hij betoogt dat er geen voldoende concrete factuele basis voorhanden is om te besluiten tot het bestaan van dwingende redenen van nationale veiligheid die toelaten het verblijfsrecht te beëindigen in toepassing van artikel 44bis, §3, 1°, van de Vreemdelingenwet. De Raad stelt vast dat de verwerende partij is tekort gekomen aan de op haar rustende verplichting om concrete, actuele, relevante en bewezen handelingen van de verzoeker te duiden waarop een beslissing tot beëindiging van verblijf kan worden gesteund (cf. GwH 18 juli 2019, nr. 112/2019). De bestreden beslissing tot beëindiging van het verblijf getuigt niet van een deugdelijk onderzoek en een behoorlijke feitenvinding in het licht van artikel 45, §2, van de Vreemdelingenwet.
 
Een schending de zorgvuldigheidsplicht en van artikel 45 van de Vreemdelingenwet is derhalve aangetoond.