Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 283.659 - 19-01-2023

Samenvatting

Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de wettelijke grondslag van de bestreden weigeringsbeslissing gelegen is in artikel 11 van de Vreemdelingenwet, doch in artikel 10 van de Vreemdelingenwet samengelezen met artikel 12bis, §§5-6 van de Vreemdelingenwet. Eveneens wordt verwezen naar artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek en artikel 21 van het WIPR.
 
Artikel 21 van het WIPR luidt als volgt:
 
“De toepassing van een bepaling uit het door deze wet aangewezen buitenlands recht wordt geweigerd voor zover zij tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
Bij de beoordeling van deze onverenigbaarheid wordt inzonderheid rekening gehouden met de mate waarin het geval met de Belgische rechtsorde is verbonden en met de ernst van de gevolgen die de toepassing van dat buitenlands recht zou meebrengen.
Wanneer een bepaling van buitenlands recht niet wordt toegepast wegens deze onverenigbaarheid, wordt een andere relevante bepaling van dat recht of, indien nodig, van Belgisch recht toegepast.”
 
Artikel 21 van het WIPR valt onder de afdeling 5 ‘Conflictenrecht’ van hoofdstuk I ‘Algemene bepalingen’ van het WIPR. Dit artikel kan dan ook niet op zichzelf worden toegepast, maar enkel in combinatie met een ander artikel of andere artikelen van het WIPR waarin wordt geregeld dat deze of gene bepalingen van buitenlands recht van toepassing zijn op een welbepaalde internationale rechtsverhouding en waarbij dan beslist wordt dat de toepassing van deze of gene bepaling van het door het WIPR aangewezen buitenlands recht wordt geweigerd voor zover deze toepassing tot een resultaat zou leiden dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De zogenaamde openbare orde-exceptie, vervat in artikel 21 van het WIPR, maakt een beschermingsmechanisme ten voordele van het eigen forum uit en maakt het tevens, in het licht van artikel 27 van het WIPR mogelijk om, in uitzonderlijke gevallen, een buitenlandse akte niet te erkennen hoewel deze rechtsgeldig werd afgesloten naar buitenlands recht, indien dit tot ongewenste gevolgen zou leiden in de Belgische rechtsorde, en om in voorkomend geval een andere relevante bepaling van dat buitenlands recht of, indien nodig, van Belgisch recht toe te passen.
 
Met betrekking tot het recht dat toepasselijk is op de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk an sich (artikel 46 van het WIPR) en op de vormvereisten voor het huwelijk an sich (artikel 47 van het WIPR), is deze exceptie van openbare orde bovendien slechts relevant indien vaststaat dat het huwelijk tot stand kwam op basis van een bepaling van buitenlands recht die op zich strijdig is met de openbare orde, zoals bijvoorbeeld een polygaam huwelijk, en niet wanneer het huwelijk niet rechtsgeldig tot stand kwam volgens de bepalingen van het buitenlands recht. Wat volgens het buitenlands recht niet bestaat, kan immers als zodanig ook niet worden erkend.
 
In casu verwijst de gemachtigde wel naar artikel 21 van het WIPR, maar uit zijn verdere uiteenzettingen blijkt niet dat de gemachtigde (voor zover hij daartoe al bevoegd zou zijn gelet op het niet-jurisdictioneel karakter van de visumaanvraag) de toepassing van een specifieke bepaling van één of ander buitenlands recht zou hebben geweigerd. Evenmin heeft de gemachtigde verduidelijkt welke regel van het WIPR in de voorliggende rechtsverhouding precies het toepasselijke recht bepaalt en welke bepaling van het krachtens het WIPR toepasselijke recht dan niet mag worden toegepast omwille van de strijdigheid met de Belgische internationale openbare orde. De gemachtigde licht zelfs niet toe welk recht er volgens het WIPR van toepassing zou zijn op welk aspect van het in Eritrea afgesloten huwelijk tussen de verzoekende partij en de gezinshereniger, beiden van Eritrese nationaliteit. De gemachtigde heeft in de bestreden akte dus niet gespecifieerd dat en hoe deze of gene bepaling van buitenlands recht zou leiden tot een resultaat dat strijdig is met de Belgische openbare orde. De gemachtigde verwijst in tegendeel enkel naar een aantal bepalingen van Belgisch recht, met name de artikelen 10 en 12bis van de Vreemdelingenwet.
 
Daarnaast dient opgemerkt te worden dat een toepassing van artikel 27 van het WIPR in casu niet aan de orde is aangezien er geen gelegaliseerde authentieke huwelijksakte werd voorgelegd.
Artikel 27, §1 van het WIPR luidt als volgt:
 
“§ 1. Een buitenlandse authentieke akte wordt in België door alle overheden erkend zonder dat een beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld overeenkomstig het krachtens deze wet toepasselijk recht, en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21.
De akte moet voldoen aan de voorwaarden die volgens het recht van de Staat waar zij is opgesteld, nodig zijn voor haar echtheid.
Artikel 24 is, voorzover nodig, van toepassing.
Ingeval de overheid weigert de geldigheid van de akte te erkennen, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, onverminderd artikel 121, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23. Het beroep wordt ingesteld bij de familierechtbank indien de buitenlandse authentieke akte een bevoegdheid als bedoeld in artikel 572bis van het Gerechtelijk Wetboek betreft.”
 
Artikel 27, §1 van het WIPR bepaalt aldus dat elke overheid, bij de uitoefening van haar bevoegdheden, een buitenlandse authentieke akte kan erkennen dan wel kan weigeren deze te erkennen. Hierbij moet de buitenlandse authentieke akte beantwoorden aan de vereisten van het recht aangewezen door het Belgische conflictenrecht, d.i. het WIPR, en moet worden nagegaan of er geen sprake is van wetsontduiking (artikel 18 van het WIPR) of onverenigbaarheid met de openbare orde (artikel 21 van het WIPR). Het moet gaan om een akte die voldoet aan de voorwaarden die, volgens het recht van de staat waar zij is opgesteld, nodig zijn voor haar echtheid en zij moet worden gelegaliseerd om in België geheel of bij uittreksel, in origineel of bij afschrift, te worden voorgelegd (artikel 30 van het WIPR).
 
In casu wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk aangegeven dat “een niet gelegaliseerde huwelijksakte werd voorgelegd waarvan de authenticiteit niet kan worden gegarandeerd”. Van een incidentele beoordeling op grond van artikel 27 van het WIPR, door een overheid, van de geldigheid of erkenning van een buitenlandse authentieke akte op grond van de openbare orde-exceptie voorzien in artikel 21 van het WIPR, is in casu dus geen sprake.
 
Samenvattend stelt de Raad vast dat de gemachtigde niet concreet heeft gesteld dat het buitenlands recht in casu niet kan worden toegepast omdat dit tot een resultaat zou leiden dat strijdig is met de Belgische internationale openbare orde. Bovendien wordt niet betwist dat er bij de voorliggende visumaanvraag geen buitenlandse authentieke akte werd voorgelegd, zodat ook geen situatie aan de orde is waarbij een Belgische overheid overeenkomstig 27, §1 van het WIPR kan beslissen om deze akte niet te erkennen wegens de onverenigbaarheid met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 21 van het WIPR. In de bestreden akte wordt voor het overige enkel verwezen naar bepalingen van Belgisch recht. De verwijzing naar artikel 21 van het WIPR maakt dan ook geen pertinent motief uit om de voorliggende visumaanvraag te weigeren.
 
De conclusie dat de verzoekende partij, die verklaart echtgenote te zijn van een in België erkende en verblijfsgerechtigde vluchteling, zich niet kan beroepen op de bepalingen betreffende de gezinshereniging, vervat in artikel 10 van de Vreemdelingenwet, kan in casu enkel, gelet op het ontbreken van enige motivering over het niet voldoen aan deze of gene voorwaarde van artikel 10 van de Vreemdelingenwet, op draagkrachtige en pertinente wijze worden geschraagd door de concrete vaststelling dat de verzoekende partij niet of niet afdoende bewijst dat zij gehuwd is met de gezinshereniger zodat zij zich niet kan beroepen op de hoedanigheid van echtgenote van de gezinshereniger.
 
Echter blijkt dit geenszins uit de motieven van de bestreden beslissing. Hieruit blijkt dat de gemachtigde zich niet steunt op het niet of niet afdoende bewezen zijn van het feit dat de verzoekende partij en de gezinshereniger op 21 september 2016 in Eritrea gehuwd zijn, doch wel dat hij advies inwint bij de procureur des Konings “met betrekking tot de erkenning van dit in het buitenland voltrokken huwelijk”, dat hij twijfelt aan de oprechtheid van het huwelijk en dat hij derhalve, gelet op artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek en artikel 21 van het WIPR, weigert het huwelijk te erkennen, hetgeen dus veronderstelt dat de gemachtigde aanneemt dat de verzoekende partij en de gezinshereniger in het buitenland daadwerkelijk een huwelijk hebben voltrokken.
 
De verzoekende partij betoogt dat de bestreden beslissing het visum weigert in toepassing van artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek daar de gemachtigde weigert het huwelijk te erkennen, dat voormelde bepaling enkel van toepassing is indien één van de echtgenoten de Belgische nationaliteit heeft, wat in casu niet het geval is aangezien het gaat om een huwelijk tussen twee Eritrese onderdanen in Eritrea voltrokken, dat de verwerende partij toepassing had moeten maken van artikel 16 van de richtlijn 2003/86/EG en artikel 11 van de Vreemdelingenwet, dat er aan de hand van deze bepalingen kan vastgesteld worden of er al dan niet sprake is van een schijnhuwelijk dat zou toelaten om het recht op gezinshereniging met een derdelander met verblijfsrecht in de Unie te weigeren, dat de verwerende partij had moeten motiveren welke gegronde vermoedens er voorhanden waren die een gerichte controle mogelijk maakte en op welke wijze er is vast komen te staan dat het huwelijk voltrokken op 21 september 2016 in Eritrea uitsluitend werd afgesloten opdat de verzoekende partij toegang zou krijgen tot het Belgische grondgebied, dat dit niet is gebeurd, dat niet wordt gemotiveerd op grond van welke gegronde vermoedens er specifieke gerichte controles nodig zouden zijn. Zij wijst erop dat er geen sprake kan zijn van toepassing van de richtlijn 2003/86/EG daar er evident geen sprake kan zijn van helderziendheid in haar hoofde waarbij zij bij de huwelijksvoltrekking in Eritrea in 21 september 2016 uitsluitend een verblijfsrechtelijk voordeel in België zou beogen zes jaar later.
 
3.5. In het kader van het onderzoek of de verzoekende partij daadwerkelijk een familielid is zoals bedoeld in artikel 10, §1, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet, stelt de gemachtigde wel dat er een “bijkomend onderzoek werd verricht in het licht van art 12bis§5 en 6”, maar blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing voorts niet of dit onderzoek al dan niet heeft uitgewezen dat de huwelijksband als bewezen wordt geacht. De gemachtigde verwijst daarentegen naar een advies van de procureur des Konings “met betrekking tot de erkenning van dit in het buitenland voltrokken huwelijk” en naar zijn twijfels betreffende de oprechtheid (en niet het bestaan) van het huwelijk, hetgeen dus veronderstelt, het weze herhaald, dat de gemachtigde aanneemt dat de verzoekende partij en de gezinshereniger in het buitenland daadwerkelijk een huwelijk hebben voltrokken.
 
Uit deze motieven blijkt aldus dat de gemachtigde aanneemt dat er – overeenkomstig artikel 12bis, §§5-6 van de Vreemdelingenwet – een voldoende bewijs voorligt dat de verzoekende partij en de gezinshereniger in het buitenland zijn gehuwd en wordt het visum gezinshereniging geweigerd omdat de gemachtigde van oordeel is dat het gaat om een schijnsituatie waarbij hij weigert het huwelijk te erkennen.
 
Met andere woorden wordt geoordeeld dat het huwelijk in het buitenland wel werd voltrokken maar dat het niet het recht op gezinshereniging opent omdat het huwelijk enkel werd afgesloten met het oog op een verblijfsrechtelijk voordeel. De motieven dat de verzoekende partij zich niet kan beroepen op de bepalingen betreffende de gezinshereniging, vervat in artikel 10 van de Vreemdelingenwet en de loutere verwijzing naar artikel 21 van het WIPR en artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, zijn dan ook, gelet op wat voorafgaat, niet pertinent en de gemachtigde diende, zoals de verzoekende partij op goede gronden voorhoudt, toepassing te maken van artikel 11 van de Vreemdelingenwet, meer bepaald artikel 11, §1, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet. Overeenkomstig de voormelde bepaling kan de gemachtigde immers de toegang van een echtgenoot van een verblijfsgerechtigde vreemdeling weigeren indien het vast staat dat het huwelijk uitsluitend afgesloten werd opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er zou kunnen verblijven.
 
In casu heeft gemachtigde zich, met verwijzing naar een aantal feitelijke elementen uit de visumaanvraag en naar een advies van de procureur des Konings, beperkt tot de motivering dat de Dienst Vreemdelingenzaken het huwelijk weigert te erkennen met toepassing van artikel 21 van het WIPR, waardoor dit huwelijk niet het recht op gezinshereniging opent. Zoals hoger gesteld, kan artikel 21 van het WIPR echter niet op zichzelf worden toegepast en dient er sprake te zijn van het buiten toepassing verklaren van een bepaling van buitenlands recht en van de weigering van de erkenning van een buitenlandse authentieke akte omwille van de onverenigbaarheid met de openbare orde (cf. artikel 27, §1 van het WIPR). Bij gebrek aan een authentieke buitenlandse huwelijksakte die ter ondersteuning van de visumaanvraag aan de beoordeling van het bevoegde bestuur werd voorgelegd, kan in het WIPR geen wettelijke grondslag worden gevonden die de gemachtigde de mogelijkheid geeft om, al dan niet op advies van de procureur des Konings, te beslissen om het huwelijk strijdig te bevinden met de openbare orde overeenkomstig de artikelen 21 en 27, §1 van het WIPR, gelet op het bepaalde in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek.
 
Betreffende de vraag of artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek kan dienen als wettelijke grondslag voor het niet erkennen van het huwelijk waardoor het recht op gezinshereniging wordt geweigerd, kan de verzoekende partij gevolgd worden waar zij stelt dat voormelde bepaling enkel van toepassing is indien één van de echtgenoten de Belgische nationaliteit heeft. Dit is in casu niet het geval aangezien het gaat om een huwelijk tussen twee Eritrese onderdanen. In een dergelijk geval dient gekeken te worden naar het buitenlands recht. In dit geval het Eritrese recht. Artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek kan aldus ook niet de wettelijke grondslag vormen voor het niet erkennen van het huwelijk waardoor het recht op gezinshereniging wordt geweigerd.
 
De verzoekende partij kan aldus gevolgd worden dat de verwerende partij toepassing had moeten maken van artikel 11 van de Vreemdelingenwet, dat aan de hand van dit artikel vastgesteld kan worden of er al dan niet sprake is van een schijnhuwelijk dat zou toelaten om het recht op gezinshereniging met een derdelander met verblijfsrecht in de Unie te weigeren.
 
Gelet op wat voorafgaat, kon de verwerende partij aldus geen toepassing maken van artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, noch op zichzelf en evenmin samengelezen met artikel 21 WIPR, om de gezinshereniging te weigeren op grond van het niet erkennen van het huwelijk omdat het een schijnsituatie betreft.
 
De loutere stelling in de nota met opmerkingen dat de weigering van verblijf van meer dan drie maanden steunt op de vaststelling dat het huwelijk niet gericht is op het stichten van een duurzame levensgemeenschap, maar dat het een schijnhuwelijk betreft, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk.