Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 283.977 - 27-01-2023

Samenvatting

Bij de beoordeling van de redelijke mate van waarschijnlijkheid voor de verzoekende partij om bij terugkeer naar Afghanistan te worden blootgesteld aan vervolging, moeten haar individuele en concrete omstandigheden, in zoverre geloofwaardig, worden beoordeeld en afgewogen in het licht van de algemene landeninformatie aldaar, zoals beschreven in objectieve bronnen.
 
Uit de stukken van het rechtsplegingsdossier blijkt dat de verzoekende partij bijna vijftien jaar oud was toen ze haar verzoek om internationale bescherming in België ingediend heeft. Er liggen ook geen elementen voor om te betwisten dat de verzoekende partij 14,5 jaar oud was bij haar vertrek uit Afghanistan. De verzoekende partij werd zowel voor als na de val van de Afghaanse regering gehoord. De verzoekende partij brengt tevens een brief van haar begeleidster om aan te geven dat zij bij haar dienst in begeleiding is, dat de verzoekende partij naar school gaat en tevens een studentenjob uitoefent in een hotel. Alsook wordt aangegeven dat de communicatie met de verzoekende partij goed verloopt, dat zij zich goed integreert binnen de westerse maatschappij en dat zij soms Afghaanse personen helpt zoals met hen naar de bank te gaan, daar zij het niet begrijpen. De verzoekende partij brengt ook een brief bij van de burgemeester van haar woonplaats die eveneens aangeeft dat de verzoekende partij werkt, goed Nederlands spreekt, een stage volgt en vrijwilliger is bij groep Intro. De burgemeester geeft ook aan dat de verzoekende partij zeer goed geïntegreerd is. Voorts brengt de verzoekende partij schoolattesten, werkovereenkomsten en een attest van haar boksclub bij. Ter terechtzitting, alwaar de verzoekende partij zich in het Nederlands uitdrukt, geeft de verzoekende partij aan dat zij als vrijwilliger ook voor kinderen heeft gezorgd en met hen naar parken ging. Dit heeft zij gedurende een bepaalde periode gedaan.
 
De verzoekende partij was voor haar vertrek al deels gevormd naar Afghaanse gebruiken, waarden en normen, doch heeft ook een deel van haar puberteit, een belangrijke en bijzondere fase in de ontwikkeling van een jongere (vormende jaren), in België doorgebracht. Alhoewel de verzoekende partij nog maar sinds 2020 in België verblijft, geven de bijgebrachte documenten en de afgelegde verklaringen samen blijk van een goede en doorgedreven integratie in de Belgische samenleving waaruit ook blijkt dat de verzoekende partij zich bewust Westerse waarden en normen eigen gemaakt heeft. De verzoekende partij heeft in België niet enkel lessen gevolgd, gewerkt en zich één van de landstalen eigen maakt, en zich aldus aangepast aan de omstandigheden van haar verblijf in België, maar op basis van het geheel van de documenten en de verklaringen blijkt dat de verzoekende partij zich in België heeft laten leiden door de alhier geldende waarden en visies en dat zij deze heeft ontwikkeld en eigen gemaakt. Ter terechtzitting blijkt dat de verzoekende partij uitstekend Nederlands spreekt en geen gebruik hoeft te maken van de aanwezige tolk. Reeds bij het eerste persoonlijk onderhoud in juni 2021 merkte de protection officer op dat de verzoekende partij al goed Nederlands sprak (NPO 30 juni 2021, p.6). Hoewel de goede kennis van het Nederlands op zich niet aantoont dat de verzoekende partij zich de Westerse waarden en normen heeft eigen gemaakt op dergelijke wijze dat zij fundamenteel zijn voor de identiteit of morele integriteit van de verzoekende partij en dat niet mag worden verwacht dat zij deze opgeeft, blijkt hieruit, gelet op de zeer jonge leeftijd waarop zij in België is binnengekomen, onmiskenbaar wel dat zij actief participeert aan de Belgische samenleving en daarbij noodzakelijkerwijze werd geconfronteerd met Westerse waarden en normen. Dit zijn ook de elementen die terugkomen in de documenten die zij bijbrengt, waaronder de brief van de burgemeester.
 
Voorts wordt niet betwist dat de verzoekende partij afkomstig is uit is van het dorp Shaikhou gelegen in het district Ahmadkhel van de provincie Paktia. Uit haar verklaringen blijkt dat zij opgroeide in een rurale omgeving (NPO 30 juni 2021, p.7-9). Uit de bijgebrachte landeninformatie blijkt dat Paktia een bolwerk is van het Haqqani netwerk, dat binnen de taliban wordt beschouwd als de groepering die nauwe banden heeft met Al Qaeda (EUAA Afghanistan Security Situation, August 2022, p. 170, 24). Verder blijkt uit het rapport EU AA, Afghanistan Security Situation van augustus 2022 dat in april 2022, ACLED en APW melden dat ISKP ook actief is geworden in de provincie Paktia (EUAA Afghanistan Security Situation, August 2022 p. 171). Zoals terecht aangestipt door de verzoekende partij is, gezien verzoekers leeftijd en haar traject in België tot nu toe, het risico groter dat zij zich gedurende haar verblijf in België als niet-begeleide minderjarige zelfs onbewust gedragingen heeft aangemeten die haar mogelijk in de negatieve aandacht zouden kunnen brengen van de taliban of de lokale gemeenschap in haar dorp. Dit is des te meer het geval nu, gelet op haar leeftijd, de verzoekende partij met westerse normen en waarden in contact is gekomen tijdens een cruciale fase in haar ontwikkeling als adolescent waarin jongeren vatbaar zijn voor externe invloeden. Dit blijkt uit het gegeven dat de verzoekende partij vrijwilligerswerk gedaan heeft en kinderen begeleid heeft.
 
Alles in acht genomen blijkt dat er in hoofde van de verzoekende partij een aantal individuele risicobepalende omstandigheden aanwezig zijn die cumulatief moeten worden bekeken in het licht van de algemene landeninformatie.
 
Gelet op het geheel van elementen die betrekking hebben op haar specifieke en individuele omstandigheden, is de Raad van oordeel dat de verzoekende partij aannemelijk maakt dat zij, in geval van terugkeer naar haar regio en dorp van herkomst in de negatieve aandacht van talibanleden en -aanhangers die in Paktia aanwezig zijn, riskeert te komen en er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat zij als verwesterd zal gepercipieerd worden. In het bijzonder volgende factoren eigen aan de verzoekende partij dragen daar toe bij: (1) haar afkomst uit een ruraal gebied in Paktia, een conservatieve provincie, (2) het feit dat de verzoekende partij reeds op 14-jarige leeftijd haar regio van herkomst in Afghanistan heeft verlaten en naar Europa is gekomen; (3) het gegeven dat zij sinds vijftien jaar in België verblijft, er als niet-begeleide minderjarige is aangekomen en actief participeert in de samenleving wat onder meer blijkt uit haar uitstekende kennis van het Nederlands, haar vrijwilligerswerk en de brieven van niet-belanghebbende derden en hier dus een belangrijk deel van haar vormende jaren heeft doorgebracht, (4) het risico dat zij onder de aandacht van de taliban kan komen, hetzij op doorreis of bij een terugkeer naar haar lokale gemeenschap aangezien zij als jonge adolescent lang genoeg uit het land is geweest om ministens als ‘verwesterd beschouwd te worden’ en er ook redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij niet meer voldoende vertrouwd is met de plaatselijke gebruiken en normen.
 
Bij de beoordeling van de vrees van de verzoekende partij dient rekening te worden gehouden met de strenge sociaal-religieuze richtlijnen die door de talibanautoriteiten heden uitgevaardigd zijn zoals blijkt uit de zeer uitgebreide, gedetailleerde en gedocumenteerde informatie die door beide partijen wordt bijgebracht en die reeds hoger werd besproken.
 
Het is niet mogelijk om met een redelijke mate van waarschijnlijkheid het concrete lot te voorspellen van een persoon met verzoekende partij haar profiel die onder de aandacht van de taliban (of ISKP) komt omwille van een toegedichte verwestering. Echter, de door beide partijen bijgebrachte en besproken objectieve landeninformatie wijst op “wrede, onmenselijke en vernederende behandeling en bestraffing”, waaronder openbare geseling en afranseling van personen die zich niet hielden aan de uitgevaardigde regels en richtlijnen.
 
Uit deze informatie blijkt verder dat personen die als verwesterd beschouwd worden het risico lopen om te worden blootgesteld aan vervolging en zoals hoger aangehaald leeft de perceptie dat personen die terugkeren waarden en uiterlijkheden hebben aangenomen die worden geassocieerd met Westerse landen.
 
In acht genomen het geheel van wat voorafgaat en gelet op het profiel van de verzoekende partij, de verschillende stukken die werden voorgelegd en de verwijzing naar landeninformatie, is de Raad van oordeel dat in hoofde van de verzoekende partij een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen omwille van een (toegedichte) politieke overtuiging in geval van terugkeer naar haar land van herkomst in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet en dat er voor haar in haar land van herkomst geen redelijke bescherming en geen intern vestigingsalternatief voorhanden is daar in casu de taliban de actor van vervolging is en het hele Afghaanse grondgebied in handen heeft.
 
Daarenboven indien de verzoekende partij door personen uit haar lokale gemeenschap van verwestering beschuldigd wordt, dan kunnen de de-facto-talibanautoriteiten evenmin worden beschouwd als een actor van bescherming. Het gebrek aan het recht op een eerlijk proces en de aard van de bestraffingen binnen het justitiemechanisme van de taliban zorgt ervoor dat dit niet kan worden beschouwd als een legitieme vorm van bescherming, zoals hoger reeds uiteengezet. Gezien de taliban geen actor van bescherming is, dringt de vraag naar een intern vestigingsalternatief zich niet verder op.
 
In acht genomen wat voorafgaat, wordt de verzoekende partij erkend als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet.