Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 284.650 - 13-02-2023

Samenvatting

De RvV vernietigt de bestreden beslissing tot niet-ontvankelijk verzoek (minderjarige) van het CGVS. De verzoekende partij is het kind van Eritrese ouders. De ouders hebben, voor de geboorte van de verzoekende partij, internationale bescherming gekregen in Italië. Eenmaal aangekomen in België werd de verzoekende partij geboren. In België dienden de ouders dienden een verzoek om internationale bescherming in voor zichzelf en namens hun minderjarig kind. Het verzoek van beide ouders leidde tot een beslissing tot niet-ontvankelijkheid aangezien zij reeds begunstigden van internationale bescherming zijn in Italië. Een beroep hiertegen werd verworpen door de RvV in arrest nr. 255.205.
De verzoekende partij betoogt dat zij geen internationale bescherming heeft verkregen in Italië aangezien zij werd geboren nadat haar ouders Italië hebben verlaten. Ze beschikt aldus niet over een verblijfsrecht in Italië. Dit maakt volgens haar een “eigen feit” uit dat een apart verzoek rechtvaardigt.
Het CGVS argumenteert dat er geen eigen feiten worden aangehaald omdat er wordt verwezen naar elementen die de ouders reeds in hun verzoeken om internationale bescherming hadden aangehaald (moeilijke levensomstandigheden in Italië).
Met betrekking tot de status of verblijfsregeling van de verzoekende partij in geval van terugkeer naar Italië, verwijst het CGVS naar artikel 23 van de richtlijn 2011/95/EU. Dat betekent volgens het CGVS dat de lidstaten kunnen beslissen om gezinsleden eenzelfde internationale beschermingsstatus te verlenen. Zij moeten echter enkel waarborgen dat gezinsleden die niet in aanmerking komen voor bescherming, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid, aanspraak kunnen maken op een aantal voordelen zoals het bekomen van een verblijfstitel of de toegang tot diverse basisvoorzieningen.
De verzoekende partij verwijt het CGVS hier een onzorgvuldig onderzoek omdat er niet op concrete wijze wordt nagegaan of verzoekende partij zich effectief kan beroepen op een verblijfsrecht in Italië en indien dit het geval zou zijn, aan welke voorwaarden de minderjarige dient te voldoen.
De RvV bevestigt dat uit artikel 23 van de Kwalificatierichtlijn voortvloeit dat deze richtlijn de lidstaten enkel verplicht hun nationale recht zodanig vorm te geven dat bepaalde gezinsleden van personen die een beschermingsstatus genieten en niet individueel de voorwaarden voor verkrijging van die status vervullen, aanspraak maken op bepaalde voordelen. Die voordelen zijn onder andere de afgifte van een verblijfstitel, toegang tot werkgelegenheid of toegang tot onderwijs, die ertoe strekken het gezin in stand te houden (HvJ 4 oktober 2018, C-652/16, Ahmedbekova, pt. 68; HvJ 9 november 2021 (GK), C-91/20, LW, pt. 36).
Verder benadrukt de RvV dat de mogelijkheid tot het al dan niet verkrijgen van een verblijfsrecht als familielid van een begunstigde van internationale bescherming, geenszins kan worden gelijkgesteld aan een internationale beschermingsstatus, waarop eenieder recht heeft die individueel voldoet aan de voorwaarden van de hoofdstukken II en III van richtlijn 2011/95. Met name omdat hij of zij een gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst dan wel aldaar een reëel risico loopt om aan ernstige schade te worden blootgesteld.
Lidstaten kunnen evenwel op grond van gunstigere normen het genot van internationale bescherming uitbreiden tot andere gezinsleden, mits deze gezinsleden niet onder de uitsluitingsgronden vallen en hun situatie, wegens de behoefte om het gezin in stand te houden, een verband vertoont met de logica van de internationale bescherming (HvJ 4 oktober 2018, C-652/16, Ahmedbekova, pt. 74).
Ongeacht of een kind zelf voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een internationale beschermingsstatus en ook wanneer dat kind in een gastlidstaat is geboren, heeft het HvJ geoordeeld dat een automatische uitbreiding van de internationale beschermingsstatus tot een minderjarig kind van een persoon aan wie die status is toegekend op grond van een nationale bepaling die tot doel heeft de eenheid van het gezin in stand te houden, aldus een verband vertoont met met de logica van de internationale bescherming (HvJ 9 november 2021 (GK), C-91/20, LW, pt. 44)
De RvV acht informatie over de mogelijkheden tot automatische uitbreiding van de internationale beschermingsstatus in Italië noodzakelijk. Indien een automatische uitbreiding van de internationale beschermingsstatus van de ouders naar het kind toe mogelijk is in Italië, dan kan voor verzoekende partij actueel geen nood aan internationale bescherming in België worden vastgesteld. Indien een automatische uitbreiding van de internationale beschermingsstatus van de ouders naar het kind toe niet mogelijk is, dan moet de nood aan internationale bescherming van verzoekende partij ten aanzien van haar land van herkomst, Eritrea, worden onderzocht en beoordeeld.
In het verzoekschrift wordt met reden aangevoerd dat in casu uit niets blijkt dat verzoekende partij op heden in Italië een status van internationale bescherming heeft die overeenkomt met de status die aan haar ouders werd verleend. Het administratief dossier bevat verder geen informatie waaruit kan blijken dat de internationale bescherming die in Italië werd verleend in hoofde van haar ouders, probleemloos kan worden uitgebreid naar verzoekende partij.
De RvV bevindt zich aldus in de onmogelijkheid om te beoordelen of verzoekende partij, mits het vervullen van de nodige formaliteiten in Italië, net zoals haar ouders van internationale bescherming kan genieten, dan wel of zij hiervan zou verstoken blijven. De RvV mist essentiële elementen om tot een bevestiging of hervorming van de bestreden beslissing te komen. Bijgevolg vernietigt de RvV de beslissing.