Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 284.958 - 16-02-2023

Samenvatting

Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissingen op dezelfde datum werden genomen dan de beschikking tot handlichting van het aanhoudingsbevel door de onderzoeksrechter. Beide beslissingen dateren dus van 23 september 2022. De gemachtigde van de staatssecretaris werd door de FOD Justitie geïnformeerd over de invrijheidsstelling van verzoeker, maar uit het dossier kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij in kennis werd gesteld van de specifieke voorwaarden van de handlichting vooraleer de bestreden beslissingen (bijlage 13septies en bijlage 13sexies) werden genomen. Verzoeker beweert in zijn middel aan dat de gemachtigde van de staatssecretaris op de hoogte was van deze voorwaarden, maar dit kan niet uit de kennisgeving van de FOD Justitie worden geconcludeerd.
 
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) stipt bovendien aan dat de gemachtigde van de staatssecretaris geen partij is bij de beoordeling van de (dwang)maatregelen in het kader van de strafvervolging. De formele motiveringsplicht schrijft niet voor dat de gemachtigde van de staatssecretaris motieven zou moeten opnemen inzake de voorwaarden die gekoppeld zijn aan een maatregel van de onderzoeksrechter. Een beschikking van de onderzoeksrechter kan ook niet primeren op de toepassing van de verblijfsreglementering door de bevoegde staatssecretaris. In dit verband verwijst de verwerende partij in haar nota met opmerkingen naar een omzendbrief van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep waaruit blijkt dat het initiatief moet uitgaan van het parket en zij de Dienst Vreemdelingenzaken moeten verwittigen indien de aanwezigheid van een vreemdeling op het grondgebied noodzakelijk is voor het strafonderzoek. Tenslotte toont verzoeker niet aan dat het voor hem onmogelijk zou zijn om zich vanuit zijn huidige situatie beschikbaar te houden voor het strafrechtelijk onderzoek.