Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 284.998 - 16-02-2023

Samenvatting

In een laatste onderdeel gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten herhaalt verzoeker dat hij steeds heeft meegewerkt, maar niet akkoord kan gaan met een repatriëring naar Griekenland omdat hij in Duitsland juist bescherming heeft gevraagd tegen een overdracht naar Griekenland. Hij meent dat dit een schending zou zijn van het non-refoulementbeginsel zoals neergelegd in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verzoeker geldt dit beginsel ongeacht de status en zou het non-refoulementbeginsel een absoluut karakter hebben zonder enige uitzondering. Volgens verzoeker komt het hem terugsturen naar Griekenland neer op een onmenselijke en vernederende behandeling en dus op een schending van artikel 3 van het EVRM en van het non-refoulementbeginsel.
 
De Raad kan dit betoog van verzoeker zowel om feitelijke als juridische redenen niet volgen. Vooreerst stipt verweerder in de nota terecht aan dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het moment van de bestreden beslissing geen verzoek om internationale bescherming meer hangende had in Duitsland. Er blijkt immers dat op 25 oktober 2021 de Duitse autoriteiten in eerste instantie het terugnameverzoek van verzoeker aanvaardden in overeenstemming met artikel 18.1.d van de Dublin III-verordening, hetgeen wijst op een afgewezen beschermingsverzoek in Duitsland. Verder blijkt dat op 13 december 2021 de Duitse autoriteiten communiceerden dat het internationaal beschermingsverzoek van verzoeker en zijn familie werd geweigerd omdat ze een beschermingsstatus in Griekenland hebben en op 16 december 2021 bevestigden de Griekse autoriteiten dat aan verzoeker in Griekenland reeds op 21 november 2017 de subsidiaire beschermingsstatus was toegekend. Tot slot meldden op 4 mei 2022 de Duitse autoriteiten dat een overdracht van verzoeker ook niet meer mogelijk was, gelet op het verstrijken van de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 29 (2) van de Dublin III-verordening.
 
De Raad wijst er ten overvloede op dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat verzoeker, aan wie reeds op 21 november 2017 de subsidiaire beschermingsstatus was toegekend, om die reden sowieso buiten het toepassingsgebied van de Dublin III-verordening valt (HvJ 5 april 2017, Daher Musa, C-36/17). Verzoeker kon dus door de gemachtigde om verschillende redenen niet meer naar Duitsland worden teruggestuurd op het ogenblik van de bestreden beslissing.
 
Waar verzoeker verder aanhaalt dat artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag geldt voor elke vorm van verwijdering of overbrenging van personen “ongeacht hun status”, kan de Raad niet volgen. Verzoeker citeert juist artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag waarin duidelijk staat dat geen enkele Lidstaat op welke wijze ook, een vluchteling zal uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.
Er wordt dus melding gemaakt van “een vluchteling”. Verzoeker kan wel gevolgd worden dat een risico op schending van het non-refoulementbeginsel kan bestaan als men tijdens een procedure om internationale bescherming reeds iemand wil uitzetten of terugleiden, aangezien dan nog niet is onderzocht of iemand een vluchteling is of niet en de vaststelling van het vluchteling zijn een declaratief karakter heeft. Echter in het geval van verzoeker was op het ogenblik van de bestreden beslissing reeds zowel door de Griekse als Duitse autoriteiten onderzocht of verzoeker een vluchteling is. Griekenland kwam tot de conclusie dat verzoeker enkel de subsidiaire beschermingsstatus toekomt, die subsidiair is aan de vluchtelingenstatus, en Duitsland heeft het verzoek ook afgewezen omwille van die beschermingsstatus in Griekenland. Waar verzoeker ook aanhaalt dat het non-refoulementbeginsel een absoluut karakter heeft, zonder enige uitzondering, is dit wederom in strijd met de bewoordingen van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag dat hij zelf citeert. Daarin staat immers “2. Op de voordelen van deze bepaling kan evenwel geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land.” Bijgevolg is de uitzondering op de bescherming van het non-refoulementbeginsel als er ernstige redenen bestaan dat de betrokkene moet beschouwd worden als een gevaar voor de veiligheid van het land waar verzoeker zich bevindt, hetgeen hij in casu niet betwist aangezien hij niet ingaat op die motieven.
 
Een schending van het non-refoulementbeginsel kan niet worden aangenomen.
 
Waar verzoeker ook de schending aanvoert van artikel 3 van het EVRM, moet van dit verdragsartikel wel aangenomen worden dat het een absoluut karakter heeft en aldus geen enkele uitzondering toestaat, ook niet in geval van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Artikel 3 van het EVRM biedt in dat opzicht dan ook een ruimere bescherming dan het non-refoulementbeginsel.
 
Echter, in casu kan de Raad ook geen schending aannemen van deze verdragsbepaling. Er werd immers een beschermingsstatus aan verzoeker toegekend in Griekenland en de gemachtigde heeft verzoeker ook naar die lidstaat verwijderd. Op het ogenblik van de bestreden beslissing was reeds door Duitsland onderzocht of verzoeker een beschermingsstatus in Duitsland diende te krijgen, ondanks deze subsidiaire bescherming in Griekenland. Verzoeker stelt immers zelf dat hij in Duitsland heeft gewezen op zijn vrees om terug te moeten keren naar Griekenland ondanks de status aldaar. Duitsland heeft echter blijkens het administratief dossier dit verzoek afgewezen omdat verzoeker een beschermingsstatus heeft in Griekenland. Er is geen reden om aan te nemen dat Duitsland daarbij niet de nodige rechtspraak van het Hof van Justitie zou in acht genomen hebben (onder meer HvJ 19 maart 2019, Ibrahim e.a. tegen Duitsland, C-297/17, C- 318/17, C-319/17 en C- 438/17 waaruit blijkt dat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk mag verklaard worden omdat aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die subsidiaire bescherming geniet in die andere lidstaat, hem zouden blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest). Om de procedurele redenen die verzoeker aanvoert, kan de Raad dus geen schending van artikel 3 van het EVRM aannemen.
 
Verder gaat verzoeker helemaal niet in op de specifieke vrees die hij heeft in Griekenland, zodat ook om materiële redenen geen schending van artikel 3 van het EVRM kan aangenomen worden.
Wat betreft de terugleiding naar de grens gaat verzoeker in op het feit dat het risico op onderduiken niet afdoende of niet deugdelijk is gemotiveerd. Opnieuw stelt verzoeker dat de gemachtigde niet op afdoende wijze met zijn persoonlijke omstandigheden heeft rekening gehouden en wijst hij op zijn hangende procedure om internationale bescherming in Duitsland samen met zijn vrouw en kinderen. Volgens verzoeker is er dus absoluut geen risico op onderduiken maar wou verzoeker worden overgebracht in het kader van de Dublin III-verordening naar Duitsland. In elk geval werden de motieven niet opgenomen in de bestreden beslissing, zodat de motiveringsplicht werd geschonden.
 
Daargelaten de vraag of verzoeker nog enig actueel belang heeft bij het specifiek aanvechten van de beslissing tot terugleiding, aangezien verzoeker ondertussen reeds werd teruggeleid naar Griekenland, wijst de Raad erop dat de gemachtigde, anders dan verzoeker voorhoudt, bij het bepalen van het risico op onderduiken niet diende rekening te houden met een hangend verzoek om internationale bescherming in Duitsland aangezien uit het administratief dossier blijkt dat de Duitse autoriteiten reeds communiceerden voor het nemen van de bestreden beslissing dat het verzoek om internationale beschermingsstatus was afgewezen omwille van de beschermingsstatus in Griekenland voor verzoeker en zijn gezin. Ook een overdracht naar Duitsland in het kader van de Dublin III-verordening, waar verzoeker op aanstuurt, was op het ogenblik van de bestreden beslissing niet meer mogelijk om verschillende redenen. Zo blijkt dat ondanks een initieel terugnameakkoord van Duitsland, de maximale termijn voor overdracht was verstreken, zodat Duitsland reeds voor de beslissing communiceerde niet langer de overdracht te aanvaarden. Bovendien stipte de Raad supra reeds ten overvloede aan dat aangezien verzoeker reeds op 21 november 2017 de subsidiaire beschermingsstatus was toegekend door Griekenland, hij om die reden sowieso buiten het toepassingsgebied van de Dublin III-verordening valt (HvJ 5 april 2017, Daher Musa, C-36/17).
 
Waar verzoeker nog aanvoert dat de gemachtigde in het licht van de motiveringsplicht geen motieven heeft opgenomen aangaande zijn persoonlijke omstandigheden in het licht van het risico op onderduiken in de terugleidingsbeslissing, stelt de Raad vast dat de gemachtigde wel uitgebreid heeft gemotiveerd over de elementen eigen aan de zaak. Zo gaat hij zowel in het bevel om het grondgebied te verlaten als in de terugleiding uitgebreid in op de openbare ordeproblematiek van verzoeker, hetgeen feiten zijn die eigen zijn aan de zaak. Daarnaast heeft hij ook oog gehad voor de elementen die verzoeker in het kader van zijn hoorrecht heeft aangevoerd. De bijlage 13septies dient immers in zijn geheel te worden gelezen en de gemachtigde gaat in het licht van het bevel om het grondgebied te verlaten in op de elementen die verzoeker in de vragenlijst hoorplicht heeft ingevuld.
 
Tot slot stelt verzoeker dat bij het onderzoek naar de specifieke omstandigheden moet rekening worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. Hij meent dat de gemachtigde enkel heeft rekening gehouden met de elementen die voordelig zijn voor hem, maar nalaat om concreet te motiveren over het privé- en gezinsleven van verzoeker dat zich in Duitsland bevindt waar hij een hangende procedure om internationale bescherming heeft.
 
Het rechtszekerheidsbeginsel is een uit de rechtsstaat voortvloeiend beginsel dat inhoudt dat het recht voorzienbaar en toegankelijk dient te zijn zodat de rechtssubjecten in staat zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen op voorhand in te schatten, en dat die rechtssubjecten moeten kunnen vertrouwen op een zekere standvastigheid bij het bestuur (I. OPDEBEECK en M. VAN DAMME (eds.), Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, die Keure, 2006, 315-349).
 
De Raad is van oordeel dat de toelichting van verzoeker niet toelaat aan te nemen dat in casu de gemachtigde zodanig zou opgetreden hebben dat de rechtsgevolgen van verzoeker zijn handelen niet konden worden ingeschat, noch dat het bestuur op een onstandvastige wijze heeft opgetreden.
 
Wat betreft het gezins- en privéleven van verzoeker heeft de gemachtigde gemotiveerd dat verzoeker heeft verklaard geen in België verblijvende familie en of minderjarige kinderen te hebben. De gemachtigde heeft er ook mee rekening gehouden dat verzoeker een broer heeft die op bezoek gekomen is in de gevangenis maar dat deze broer niet was terug te vinden in de bestanden. De gemachtigde heeft aldus niet enkel rekening gehouden met elementen die voordelig zijn voor het bestuur, zoals verzoeker aanvoert. Verzoeker kan gevolgd worden dat de gemachtigde niet is ingegaan op het feit dat zijn vrouw en kinderen vermoedelijk in Duitsland verbleven op het moment van de beslissing. Echter, zoals blijkt, heeft Duitsland gecommuniceerd dat het gehele gezin een beschermingsstatus heeft in Griekenland en dat zij om die reden het internationaal beschermingsverzoek van het gezin hebben afgewezen. Dit is een aanwijzing dat verzoeker zijn vrouw en kinderen aldus ook niet langer legaal op Duits grondgebied verbleven en het is niet duidelijk waarom het gezin van verzoeker niet in Griekenland zou kunnen worden herenigd. Een schending van het rechtszekerheidsbeginsel of evenredigheidsbeginsel kan niet worden aangenomen.
 
De schending van artikel 7 van de Vreemdelingenwet, van artikel 7 van het Handvest, van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, van de materiële en formele motiveringsverplichting, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991, van artikel 74/14 van de Vreemdelingenwet, van de zorgvuldigheidsplicht, van het rechtszekerheidsbeginsel, van het vertrouwensbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel, van het evenredigheidsbeginsel, van de artikelen 3 en 8 van het EVRM, van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, van het non-refoulementbeginsel of van het respect voor de menselijke waardigheid blijkt niet in het kader van het bevel om het grondgebied te verlaten noch in het kader van de terugleiding.