Samenvatting
De Raad stelt uit nazicht van de visumaanvraag van verzoekende partij vast dat zij haar visumaanvraag heeft ingediend in het bezit van een Eritrees identiteitsdocument. Het AMBABEL-document, aangemaakt door de ambassade op 7 oktober 2021, vermeldt dat de aanvraag werd ingediend met een Eritrees paspoort, afgegeven op 15 maart 2020, en geldig tot 10 maart 2022.
Verzoekende partij was aldus in het bezit van een Eritrees identiteitsdocument waarmee zij haar visumaanvraag heeft ingediend. Er blijkt uit de stukken van het dossier dat zij er in geslaagd is op 15 maart 2020 een Eritrees paspoort te verkrijgen, waarmee zij op 7 oktober 2021 te Addis Abeba een visumaanvraag heeft ingediend.
De Raad merkt dan ook op dat verzoeksters betoog met betrekking tot de moeilijkheden om een ‘Emergency Travel Document’ te verkrijgen en zich bij ARRA te registreren, niet dienstig is, nu blijkt dat verzoekster er reeds een maand na de erkenning van de referentiepersoon in slaagde een Eritrees paspoort te verkrijgen aan de hand waarvan het mogelijk was een visumaanvraag in te dienen. Waar verzoekster betoogt dat zij door de verwerende partij werd verzocht een ETD voor te leggen, moet worden opgemerkt dat verzoekster er in haar middel zelf op wijst dat de website van de Belgische ambassade te Addis Abeba vermeldt dat Eritreeërs die een visumaanvraag willen indienen een Eritrees paspoort of een ETD moeten voorleggen. Aldus blijkt dat verzoekster reeds kort na de erkenning van de referentiepersoon in het bezit was van een identiteitsdocument. Er blijkt niet dat dit document werd geweigerd, of dat er administratieve barrières waren om aan de hand van dit document de visumaanvraag in te dienen. Verzoekster wordt niet gevolgd in de mate ze stelt onjuist te zijn ingelicht door de verwerende partij. Evenmin maakt verzoekster aannemelijk dat de verwerende partij zich te weinig soepel heeft betoond, nu nergens uit blijkt dat verzoekster op enig ogenblik werd verhinderd met haar Eritrees identiteitsdocument de aanvraag in te dienen.
Voorts blijkt dat verzoekster op 26 november 2021 nog een bijkomend document indiende, waarbij de voogdij over het kind S.A.H. wordt toegewezen aan verzoekster. Dit document werd opgesteld in Eritrea op 4 juni 2020 en verwijst naar een verklaring die zij aflegde op 14 mei 2020. Aldus wijst dit aan dat verzoekster in maart, mei en juni 2020 in Eritrea was en dat zij kennelijk geen problemen kende om er documenten te verkrijgen.
De verschillende e-mails waar verzoekster naar verwijst, waarin wordt gewezen op de moeilijkheden om zich als Eritrees vluchteling in Ethiopië te registreren, wijzigen niets aan de vaststelling dat verzoekster reeds vanaf 15 maart 2020 in het bezit was van een Eritrees identiteitsdocument en dat zij wist dat zij hiermee een visumaanvraag kon indienen. De e-mails van oktober en november 2020 waarbij de referentiepersoon of het Rode Kruis verklaart dat verzoekster moeilijkheden ondervindt om zich te registreren bij ARRA, wijzigen niets aan het feit dat een dergelijke registratie niet nodig was. De verklaringen dat verzoekster zich vruchteloos bij ARRA heeft aangeboden om zich te registeren kunnen dan ook niet worden aanvaard als objectief verschoonbare elementen.
Verzoekster wijst op een e-mail van de referentiepersoon aan de verwerende partij van 17 oktober 2020 waarin deze verklaart dat verzoekster twee maanden geleden uit Eritrea is vertrokken. Gelet op het feit dat haar op 15 maart 2020 een Eritrees paspoort werd afgegeven, kan worden aangenomen dat verzoekster vanaf midden augustus 2020 in Ethiopië aanwezig was. Uit haar betoog kunnen geen elementen worden afgeleid die aangeven dat zij niet de mogelijkheid had om vanaf dat ogenblik de visumaanvraag in te dienen.
Waar zij aanvoert dat de administratieve diensten gesloten waren van maart tot juni 2020 omwille van de Covid 19-pandemie, merkt de Raad op dat verzoekster in principe de mogelijkheid had om de visumaanvraag in te dienen vanaf juli 2020 en dat er terug visa werden afgeleverd vanaf augustus 2020, afhankelijk van het terug operationeel zijn van de outsourcing-partner.
In een e-mail van de referentiepersoon van 23 november 2020 wordt er op gewezen dat verzoekster zich in de Tigray-regio in Ethiopië bevindt, maar dat zij zich door de oorlog niet kan verplaatsen.
Verzoekster voert aan dat door het uitbreken van oorlog tussen Eritrea en Ethiopië, verplaatsingen vanaf november 2020 ernstig werden bemoeilijkt.
De Raad merkt echter op dat verzoekster hiermee niet verklaart waarom zij, nu zij vanaf midden augustus 2020 in Ethiopië aanwezig was en in het bezit was van een Eritrees identiteitsdocument, niet in de mogelijkheid was om in de periode augustus - oktober 2020 de visumaanvraag in te dienen. Daarnaast blijkt ook dat verzoekster er wel in slaagde zich binnen Ethiopië te verplaatsen, en de visumaanvraag op 7 oktober 2021 in te dienen, op een ogenblik dat het conflict in Tigray nog steeds aan de gang was. Verzoekster verschaft geen enkele nadere informatie omtrent haar verplaatsingen en verblijfplaatsen in Ethiopië tussen augustus 2020 en 7 oktober 2021. Er kan dan ook slechts worden vastgesteld dat verzoekster er wel in slaagde om zich naar Addis Abeba te begeven, maar dat ze de Raad geheel in het ongewisse laat omtrent de elementen die ertoe geleid hebben dat verzoekster slechts op 7 oktober 2021 de aanvraag kon indienen. Ook waar er in het middel op wordt gewezen dat vanaf november 2020 de noodtoestand in de Tigray-regio in Ethiopië werd afgekondigd, verklaart dit niet waarom dit element verzoekster, gelet op haar aanwezigheid (met Eritrees paspoort) in Ethiopië vanaf augustus 2020, zou hebben belet om de aanvraag voor 10 februari 2021 in te dienen.
Verzoekster beperkt zich in haar middel aldus tot het beschrijven van de algemene situatie en de moeilijkheden die Eritrese burgers met het oog op een visumaanvraag kunnen ondervinden, maar beperkt zich, wat haar persoonlijke situatie betreft, tot zeer vage verklaringen en toont geenszins aan de hand van de concrete elementen van de zaak aan dat zij hierdoor werd verhinderd om de aanvraag tijdig in te dienen. Meer nog, de weinige concrete elementen van de zaak wijzen veeleer op het tegendeel, aangezien verzoekster reeds op 15 maart 2020 houdster was van een Eritrees paspoort en in augustus 2020 in Ethiopië was.