Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 287.055 - 31-03-2023

Samenvatting

De Raad oordeelt dat ‘verwesterde Afghanen’ of ‘terugkeerders’ niet kunnen worden aangemerkt als een sociale groep in de zin van artikel 48/3, §4, d) van de Vreemdelingenwet, omdat niet is voldaan aan de twee cumulatieve voorwaarden.
“Een groep moet worden geacht een specifieke sociale groep te vormen als onder meer:
- leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
 - de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;”
De Raad gaat in het arrest na of ‘verwestering’ of ‘mensen die verwesterd zijn’ in aanmerking komen als een specifieke sociale groep in de zin van artikel 48/3, §4, d) van de Vreemdelingenwet.
Wat betreft de eerste voorwaarden is ‘verwestering’ volgens de Raad geen aangeboren kenmerk, noch een kenmerk met een gemeenschappelijke achtergrond dat niet kan worden gewijzigd. Evenmin is het een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de verzoeker om internationale bescherming dermate fundamenteel is, dat niet mag worden geëist dat hij of zij dit opgeeft. In verband met de tweede voorwaarde, oordeelt de Raad dat niet kan worden gesteld dat ‘verwesterde Afghanen’ in Afghanistan een gemeenschappelijke identiteit hebben die in de directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. De Raad motiveert dit onder meer door te verwijzen naar het behouden van de eigenheid van deze ‘verwesterde Afghanen’.
Vervolgens gaat de Raad in op de vervolgingsgronden ‘godsdienst’ en ‘politieke overtuiging’. Ook hier heeft de Raad geoordeeld dat een louter ontwikkelde westerse levensstijl in beginsel geen afdoende reden is om te worden erkend als vluchteling. Echter zal de verzoeker aannemelijk moeten maken dat zijn westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging. Het moet gaan om een verwesterd gedrag dat is gebaseerd op een godsdienstige of politieke overtuiging en dat bijzonder belangrijk is voor de verzoeker om zijn identiteit of morele integriteit te behouden. 
Daarnaast kan het ook zijn dat de persoon in kwestie een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling wegens zijn godsdienstige of politieke overtuigingen. Personen kunnen worden gezien als ‘verwesterd’, onder meer omwille van hun beroep, activiteiten, gedrag, uiterlijk of geuite meningen die als niet-Afghaans en/of niet-moslim beschouwd worden. Hiertoe behoren personen die naar Afghanistan terugkeren na een tijd in een ander land te hebben doorgebracht. Hieruit wordt geconcludeerd dat Afghanen die worden beschouwd als verwesterd, een risico op vervolging kunnen lopen. Zij zullen moeten aantonen dat hem of haar een religieuze of politieke overtuiging wordt toegedicht door een actor van vervolging omwille van persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen of te verhullen kenmerken of gedragingen.
Men zal telkens een individuele beoordeling maken waarbij er rekening wordt gehouden met risicobepalende factoren zoals het geslacht, de leeftijd, het gebied van herkomst en de conservatieve omgeving, de duur van het verblijf in het Westen, de aard van de tewerkstelling van de verzoeker, de zichtbaarheid van de verzoeker en de zichtbaarheid van de normoverschrijding.
Het komt aan de verzoekende partij toe om aan te tonen dat hij zich bepaalde concrete gebruiken of elementen van een levensstijl heeft aangenomen die deel uitmaken van of dermate fundamenteel zijn voor zijn identiteit of morele integriteit dat er van hem niet mag worden verwacht dat hij afziet van dit gedrag of deze levenswijze opgeeft dan wel aanpast om problemen te ontlopen wegens het niet naleven van de heersende regels en normen binnen de huidige Afghaanse samenleving. In casu heeft de verzoekende partij niet in concreto aangetoond dat hij zich de westerse waarden en normen daadwerkelijk eigen heeft gemaakt en dat hij in die zin een risico loopt om te worden vervolgd.