Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 288.503 - 4-05-2023

Samenvatting

Verzoeker verklaart dat hij zich na zijn middelbaar aansloot bij de DSF, een communistische studentenorganisatie die agiteerde tegen de militaire dictatuur van Zia ul Haq, en ook actief was bij de links-Pashtoun-nationalistische Awami National Party. Op een bepaald moment zou hij beschuldigd zijn geworden van staatsverraad, waarna hij eind 1986 zijn land van nationaliteit, Pakistan, verliet. Hij zou dan zijn gaan studeren in Kiev (Oekraïne) en daar zijn gebleven tot hij omwille van de Russische speciale militaire operatie naar België reisde, waar hij op 9 mei 2022 aankwam.

Zoals in de bestreden beslissing terecht wordt aangestipt, dient verzoekers verzoek om internationale bescherming te worden beoordeeld ten aanzien van het land waarvan hij de nationaliteit heeft, en is dit gelet op zijn verklaringen en voorgelegde identiteitsdocument Pakistan, zodat de problemen die hij had in Oekraïne in principe niet in rekening genomen kunnen worden bij de beoordeling van zijn vrees voor vervolging. De omstandigheid dat hij Russisch spreekt, het grootste deel van zijn leven in Oekraïne woont, een gezin vormt met een onderdaan van Oekraïense nationaliteit en een permanente verblijfskaart heeft verworven op basis waarvan de Oekraïense nationaliteit kan verkregen worden, doet hieraan geen afbreuk.

Verzoeker verwijt de adjunct-commissaris geen rekening te hebben gehouden met het fundamenteel belangrijke gegeven dat hij geen band meer heeft met het land van herkomst en nationaliteit en dat hierdoor artikel 8 van het EVRM wordt geschonden. De schending van artikel 8 van het EVRM kan echter niet dienstig worden aangevoerd tot staving van onderhavige vordering tegen de beslissing van de adjunct-commissaris waarbij, zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene en over het al dan niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus uitspraak wordt gedaan (cf. RvS 30 september 2008, nr. 186.661; RvS 12 maart 2008, nr. 180.930).

Verzoeker kan voorts niet worden gevolgd waar hij meent dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden nu bij personen van Palestijnse nationaliteit die buiten de Palestijnse gebieden leven het UNRWA-statuut kan worden ingeroepen in plaats van de Palestijnse nationaliteit, zelfs indien zij dit statuut niet hebben. Alleen al aangezien dergelijke Palestijnen uit UNRWA-gebied vluchtelingen zijn en verzoeker niet aantoont dat hij in Oekraïne een verblijf had als vluchteling, gaat het hier immers duidelijk om een verschillende behandeling van verschillende gevallen en is het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet geschonden. Er is dan ook geen reden om een prejudiciële vraag te richten aan het Grondwettelijk Hof.

De adjunct-commissaris is te dezen van oordeel dat verzoeker er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat hij door het gegeven dat hij in Pakistan in de jaren ’80 actief was binnen een communistische studentenorganisatie en als staatsverrader zou zijn aangemerkt een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren.

Hij wijst er in de bestreden beslissing ten eerste op dat verzoeker de zaken die hij voorhoudt op geen enkele wijze rechtstreeks kan staven en licht dit als volgt toe:

“U stelt dat u een lid was van de Democratic Students Federation (DSF) en dat zij u aan een Afghaans paspoort hielpen, maar kan dit paspoort niet voorleggen (CGVS p. 11). U stelt ook dat u weet dat er een dossier tegen u geopend werd in Pakistan door de veiligheidsdiensten (CGVS p. 14), maar legt ook hierover ook niets voor zials bijvoorbeeld oproepingsbrieven voor de rechtbank, een rechterlijke uitspraak, etc. U verklaart ten slotte dat u in Pakistan beschuldigd geweest zou zijn een terroristische opleiding gekregen te hebben, dat er een strafonderzoek gevoerd werd, en dat dit ook publiek is gemaakt (CGVS p. 16, 17), wederom zonder dat u dit kan staven met bijvoorbeeld krantenartikelen, terwijl u zelf nochtans verklaarde dat uw naam gepubliceerd zou zijn (CGVS p. 17). Hierdoor kan het Commissariaat-generaal in deze enkel afgaan op uw verklaringen.”

Verzoeker voert aan dat hij geen enkele band meer heeft met Pakistan en dat niet kan verwacht worden dat de zeer specifieke actoren in het land van herkomst hem dergelijke bewijzen in handen zouden geven. Met een dergelijk betoog tracht hij slechts te vergoelijken dat hij geen bewijsstukken heeft aangebracht, doch weerlegt noch ontkracht hij de hierboven aangehaalde pertinente vaststellingen daarover. Aangezien verzoeker geen stukken voorlegt waarmee hij een vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade aannemelijk maakt, kon de adjunct-commissaris niet anders dan enkel afgaan op de door hem afgelegde verklaringen. Verzoeker verduidelijkt niet op wat de adjunct-commissaris zijn beslissing nog meer had moeten of kunnen steunen. Voorts toont verzoeker niet aan dat de omstandigheid dat wordt vastgesteld dat hij zijn relaas op geen enkele wijze rechtstreeks kan staven en dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (hierna: CGVS) bijgevolg enkel kan afgaan op zijn verklaringen betekent dat “al te grote vereisten” worden gesteld en dat hem wordt gevraagd om te bewijzen wat niet mogelijk en aanneembaar is om te bewijzen.

Wat betreft verzoekers verklaringen, stelt de adjunct-commissaris vast dat verzoeker een aantal vreemde uitspraken doet als het over documentatie en identiteitsdocumenten gaat. Hij licht dit in de bestreden beslissing als volgt toe:

“U verklaarde dat u nooit de Oekraïense nationaliteit kon verwerven, omdat u gedwarsboomd werd in uw pogingen de vereiste Pakistaanse documenten te bekomen doordat u nog steeds op een zwarte lijst zou staan (CGVS p. 17-19). Na het persoonlijk onderhoud voor het Commissariaat-generaal stuurde u echter een afbeelding van een Pakistaanse identiteitskaart na, die nog heel recent was uitgegeven (document 4). Dat u dit document presenteert, gaat lijnrecht in tegen uw bewering dat u net geen Pakistaanse documenten kon bekomen omdat u op een zwarte lijst zou staan. U leunt erg sterk op dat u nog geen Oekraïense burger zou zijn door moeilijkheden met het bekomen van Pakistaanse documentatie, als indirecte aanwijzing voor uw voortdurende problemen met de Pakistaanse staat, maar dat u dan plots een recent uitgegeven Pakistaanse identiteitskaart voorlegt doet hier sterk aan af.
Tevens verklaarde u dat u omwille van een amnestie uitgesproken in de regeerperiode van Benazir Bhutto (vroege – midden jaren ’90), in het reine zou zijn gekomen met de regering van uw land van herkomst, waarna u ook een Pakistaans paspoort werd uitgereikt (CGVS p. 19). U verklaart daarop evenwel dat deze maatregel zou zijn teruggedraaid naderhand, maar kan om dit te staven enkel verwijzen naar “mijn kennissen zeiden dat… studenten uit Pakistan, zijn familielid werkt bij NADRA” (CGVS p. 19). Een dergelijke uitspraak “van horen zeggen” is niet voldoende om een gegronde vrees voor vervolging op te stoelen.”

Verzoeker slaagt er niet in deze motieven, die steun vinden in het administratief dossier, te weerleggen.

Door in zijn verzoekschrift te erkennen dat hij inderdaad een identiteitsdocument verkregen heeft, bevestigt verzoeker de voorgaande motieven. Dat hij dit zou hebben gekregen toen hij geen raadsman had om een andersluidend advies te geven, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat hij enerzijds verklaarde dat hij gedwarsboomd werd in zijn pogingen om de vereiste Pakistaanse documenten te bekomen doordat hij nog steeds op een zwarte lijst stond en anderzijds na het persoonlijk onderhoud op het CGVS een afbeelding van een Pakistaanse identiteitskaart nastuurde die nog heel recent was uitgegeven. Ook verzoekers warrige betoog over de procedure om in Oekraïne de nationaliteit te verwerven, kan geen ander licht werpen op het voorgaande.

(…)

Ten slotte merkt de adjunct-commissaris in de bestreden beslissing nog het volgende op:
“Volledigheidshalve merkt het CGVS ook op dat u geen internationale bescherming heeft gevraagd in de Europese landen waarlangs u reisde naar België (Polen, Duitsland). Nochtans kan van iemand die beweert nood te hebben aan internationale bescherming redelijkerwijze verwacht worden dat hij die nood aanhaalt en internationale bescherming vraagt zodra hij daartoe de kans heeft. Dat u dit naliet in de landen die u passeerde en pas in België internationale bescherming verzocht doet verder afbreuk aan de beweerde reden van vertrek en uw ingeroepen vrees voor vervolging.”

Door te stellen dat hij ervan overtuigd was dat hij als ingezetene als juridisch onderdaan zou worden behandeld van Oekraïne, waarbij eenieder zonder meer naar gelijk welk land dan de Unie kon gaan, verklaart verzoeker niet waarom hij niet in Polen of Duitsland om internationale bescherming verzocht, terwijl van iemand die vreest voor vervolging of ernstige schade redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij om bescherming verzoekt van zodra hij daartoe de kans heeft. Dat de inval van de Russen in Oekraïne tot grote verwarring heeft geleid, doet daaraan geen afbreuk. Aldus slaagt verzoeker er ook niet in de voorgaande motieven van de bestreden beslissing te weerleggen of te ontkrachten.

De documenten die verzoeker in de loop van de administratieve procedure heeft neergelegd (administratief dossier, stuk 6, map met ‘Documenten’), hebben betrekking op zijn identiteit, gezinsleden en verblijf in Oekraïne. Deze elementen worden thans niet betwist, doch hebben geen betrekking op de vervolgingsfeiten en vrees die hij aanhaalt ten aanzien van Pakistan.

De algemene informatie in de internetbronnen waaraan verzoeker in zijn verzoekschrift refereert, heeft geen betrekking op de persoon van verzoeker, noch op de persoonlijke feiten die verzoeker aanvoert en kan dan ook niet volstaan om deze feiten aan te tonen. Hetzelfde kan worden gesteld over de algemene informatie die verzoeker bij zijn op 15 maart 2023 neergelegde aanvullende nota voegt.

Gelet op het voorgaande, treedt de Raad de adjunct-commissaris bij waar deze oordeelt dat verzoeker er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat hij door het gegeven dat hij in Pakistan in de jaren ’80 actief was binnen een communistische studentenorganisatie en als staatsverrader zou zijn aangemerkt actueel een gegronde vrees voor vervolging dient te hebben.
In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van verzoeker geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A (2) van het Verdrag van Genève en artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet in aanmerking worden genomen.