Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 289.656 - 31-05-2023

Samenvatting

Waar verzoekster nog aangeeft dat zij in Iran niet kan leven met een hoofddoek en constante schrik voor de moraalpolitie, heeft de commissaris-generaal op goede gronden gemotiveerd:

“Waar u stelt dat u niet kan terugkeren naar Iran omdat u niet kan leven met een hoofddoek en schrik heeft voor de moraalpolitie, moet vooreerst verwezen worden naar de vastgestelde ongeloofwaardigheid van uw bekering naar het christendom. Bovendien maakte u deze vrees nooit eerder kenbaar doorheen uw procedure voor het CGVS, noch voor de RvV. Hoe dan ook is het bestaan van vestimentaire voorschriften op zich niet voldoende om a priori te gewagen van een vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade. Uw algemene stelling dat vrouwen in Iran geen vrij leven kunnen leiden volstaat evenmin om a priori in uw hoofde te gewagen van een nood aan internationale bescherming. Wat betreft de screenshots van sociale mediaberichten over de actuele situatie in Iran die handelen over de algemene situatie, kan eenzelfde conclusie getrokken worden. Een persoonlijke vrees dient immers in concreto aangetoond te worden.”

Verzoekster brengt geen elementen bij die voorgaande motieven in een ander daglicht kunnen stellen.

In dit verband stipt de Raad nog aan dat verzoekster uitdrukkelijk aangaf niet politiek actief te zijn en dat zij niet heeft deelgenomen aan manifestaties (Verklaring volgend verzoek van 10 oktober 2022, vraag 18) en dient samen met verweerder te worden dat het bestaan van vestimentaire beperkingen op zich niet volstaan om in hoofde van verzoekster een vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade aan te nemen. Deze beperking is gebaseerd op islamitische normen en waarden en betreffen algemene, in de Islamitische Republiek Iran geldende rechtsregels. Het loutere feit dat men zich in Iran in het openbaar zou dienen te conformeren aan bepaalde restricties, zoals het volgen van een aantal aldaar gangbare kledingvoorschriften waaronder het dragen van een hoofddoek, is onvoldoende ernstig om te kunnen spreken van vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

De Raad moet zodoende vaststellen dat verzoekster niet aantoont dat zij haar leven in Iran, volgens de aldaar heersende islamitische opvattingen, gelet op bovenstaande bevindingen, niet opnieuw zou kunnen opnemen en aldaar niet meer zou kunnen aarden. Het loutere gegeven dat verzoekster zich bij een terugkeer naar haar land van herkomst in het openbaar zou dienen te conformeren aan bepaalde restricties en zich aldus (buitenshuis) zou dienen te conformeren aan de dominante cultuur is op zich geen ‘vervolging’ in de zin van het Vluchtelingenverdrag en artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet en maakt geen ‘ernstige schade’ in de zin van artikel 48/4, § 2 van de Vreemdelingenwet uit, te meer verzoekster aangaf politiek niet actief te zijn. Bepaalde aanpassingen van harentwege, om zich aan de heersende culturele standaarden of normen aan te passen, zoals het voldoen aan de vestimentaire beperkingen in het publieke domein, vormen op zich geen inbreuk op haar fundamentele grondrechten en vrijheden. Dergelijke aanpassingen kunnen dan ook niet als onoverkomelijk worden beschouwd.