Samenvatting
Voor wat betreft de bewijsregeling inzake gezinsbanden in de situatie van gezinshereniging met een vreemdeling die internationale bescherming geniet en waarbij de ingeroepen gezinsbanden reeds bestaan van voor deze vreemdeling naar België is gekomen, blijkt uit een lezing van artikel 12bis, §§ 5 en 6, van de vreemdelingenwet dat is voorzien in een cascadesysteem. In beginsel dient de gezinsband met officiële documenten te worden aangetoond. Indien dergelijke documenten niet kunnen worden voorgelegd, moet rekening worden gehouden met “andere geldige bewijzen”. Indien ook dit niet mogelijk is, kan verwerende partij “overgaan of laten overgaan tot een onderhoud met de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, of tot elk onderzoek dat noodzakelijk wordt geacht en in voorkomend geval voorstellen om een aanvullende analyse te laten uitvoeren”. Overeenkomstig artikel 11, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet mag in deze situatie de beslissing niet uitsluitend worden gebaseerd op het ontbreken van de officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen.
In de omzendbrief van 17 juni 2009 houdende bepaalde verduidelijkingen en wijzigings- en opheffingsbepalingen inzake de gezinshereniging (BS 2 juli 2009) wordt in dit verband nog gesteld als volgt:
“De familieband wordt dus door middel van de volgende bewijsmiddelen vastgesteld :
1. officiële documenten die deze band aantonen, opgesteld overeenkomstig de regels van het internationaal privaatrecht, zowel wat de inhoudelijke en vormelijke voorwaarden als wat de legalisatie betreft.
Het gaat om de belangrijkste regel, waarvan de twee andere bewijsmiddelen afwijken.
Over het algemeen gaat het om een letterlijk afschrift van het origineel van de akte die overeenkomstig artikel 30 van het Wetboek van internationaal privaatrecht gelegaliseerd werd.
2. "andere geldige bewijzen";
Deze bewijzen gelden slechts indien het voor de vreemdeling onmogelijk is om officiële documenten voor te leggen en zijn onderworpen aan de discretionaire beoordeling van de Dienst Vreemdelingenzaken.
3. een onderhoud of een aanvullende analyse
Het onderhoud is eerder gericht op het vaststellen van het bestaan van een huwelijksband (of een partnerschap), terwijl de aanvullende analyse, in dit geval de DNA-test, gericht is op het bewijzen van het bestaan van de afstammingsband.
De Dienst Vreemdelingenzaken kan slechts in laatste instantie een beroep doen op dit bewijsmiddel, namelijk, indien de vreemdeling noch officiële documenten, noch andere geldige bewijzen die het mogelijk maken om de familieband vast te stellen, kan voorleggen.”
Voor wat betreft de interpretatie van het vermelde begrip “andere geldige bewijzen” ter staving van de bloed- of aanverwantschapsbanden, zoals vermeld in artikel 12bis, §§ 5 en 6, van de vreemdelingenwet, bepaalt de voormelde omzendbrief het volgende:
“3. "Andere geldige bewijzen"
a. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de "andere bewijzen"
De vreemdeling die daadwerkelijk niet in staat is om de officiële documenten die het bestaan van de familieband aantonen te bekomen, kan " andere bewijzen " die " geldig " moeten zijn, voorleggen.
Het onderzoek van de "andere bewijzen" wordt aan het oordeel van de Dienst Vreemdelingenzaken overgelaten. De Dienst Vreemdelingenzaken evalueert hun geldigheid in alle discretie en houdt daarbij rekening met alle elementen die het dossier van de betrokkene en de vreemdeling of de EU-burger of de Belg die hij vervoegt of begeleidt, vormen.
Het feit dat de documenten die de vreemdeling heeft voorgelegd, voorkomen in de onderstaande lijsten, punt b., die trouwens niet volledig zijn, leidt niet de facto tot de toelaatbaarheid van hun geldigheid als bewijs van het bestaan van de vermeende familieband.
Om als geldig te kunnen worden beschouwd, moeten de "andere bewijzen" van de familieband die door de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag worden voorgelegd, een geheel van aanwijzingen vormen die voldoende ernstig en overeenstemmend zijn om het mogelijk te maken om het bestaan van de vermeende familieband te kunnen bewijzen.
De documenten die door de vreemdeling als "andere geldige bewijzen" van de familieband worden voorgelegd zullen niet als dusdanig toegelaten worden indien uit de elementen die het dossier vormen blijkt dat de vreemdeling de bevoegde nationale overheden wou misleiden.
In dit verband vormt het feit dat een andere nationale openbare overheid (gerechtelijke overheden, ambtenaar van de burgerlijke stand, enz.) of een andere Lidstaat van de Europese Unie geweigerd heeft het bestaan van de familieband te erkennen of deze betwist heeft, eveneens een ernstige aanwijzing gelet respectievelijk op de rechtszekerheid en het legitiem vertrouwen tussen de Lidstaten.
Bij wijze van herinnering, de wet van 15 december 1980 laat de Dienst Vreemdelingenzaken toe om, al naargelang het geval, een verzoek tot gezinshereniging te verwerpen of een einde te stellen aan het verblijf indien valse of misleidende informatie, valse of vervalste documenten gebruikt werden of indien er fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen die van doorslaggevend belang zijn geweest, gebruikt werden.
De beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken in verband met het feit of de "andere bewijzen" al dan niet toelaatbaar zijn, heeft trouwens enkel betrekking op de verblijfsaanvraag. Het feit dat de Dienst Vreemdelingenzaken oordeelt of de genoemde bewijzen het bestaan van een familieband al dan niet aantonen heeft enkel gevolgen voor de ontvankelijkheid/inoverwegingneming van het verzoek tot gezinshereniging van de vreemdeling.
b. Lijst, bij wijze van voorbeeld, van "andere bewijzen"
1) " Andere bewijzen " van de afstammingsband
De " andere bewijzen " van de afstammingsband zijn, met name :
- Geboorteakte, geboortecertificaat, geboorteattest;
- Huwelijksakte die is opgesteld door de Belgische overheden die bevoegd zijn voor de burgerlijke stand en waarin de afstammingsband vermeld wordt;
- Notariële akte, gehomologeerd door de bevoegde overheid;
- Affidavit;
- Nationale identiteitskaart die de afstammingsband vermeldt;
- Huwelijkscontract waarin de afstammingsband vermeld wordt;
- Uittreksels van de geboorteregisters;
- Vervangend vonnis;
- enz.
2) " Andere bewijzen " van de huwelijksband of het partnerschap
De " andere bewijzen " van de huwelijksband of het partnerschap zijn, met name :
- Akte van traditioneel huwelijk, indien een akte van een burgerlijk huwelijk niet kan worden voorgelegd;
- Notariële akte, gehomologeerd door de bevoegde overheid;
- Religieuze akte;
- Nationale identiteitskaart die de huwelijksband of het partnerschap vermeldt;
- Uittreksel van huwelijksakte of partnerschapsakte;
- Vervangend vonnis;
- enz.”
De Raad wijst erop dat artikel 12bis, §§ 5-6, van de vreemdelingenwet een omzetting vormt van artikel 11, lid 2, van de richtlijn 2003/86/EG (zie in deze zin de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 10 mei 2006 tot wijziging van de vreemdelingenwet, Parl.St. Kamer, 2005-2006, doc 51K2478/001, 69). Deze bepaling luidt als volgt:
“Wanneer een vluchteling geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, nemen de lidstaten ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking, die overeenkomstig het nationale recht worden beoordeeld. Een beslissing tot afwijzing van het verzoek mag niet louter gebaseerd zijn op het ontbreken van bewijsstukken.”
Artikel 11, §1, tweede lid, van de vreemdelingenwet bepaalt voorts als volgt:
“In het geval van de familieleden van een erkende vluchteling of van een vreemdeling die de subsidiaire bescherming geniet, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad, mag de beslissing niet uitsluitend worden gebaseerd op het ontbreken van de officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie”.
Deze bepaling vormt eveneens een omzetting van artikel 11, lid 2, van de richtlijn 2003/86/EG.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich over deze bepaling gebogen in zijn arrest C-635/17 van 13 maart 2019:
“Onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten van een verzoek om gezinshereniging
52 Wat het onderzoek betreft dat de bevoegde nationale autoriteiten moeten verrichten, volgt uit zowel artikel 5, lid 2, als artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003/86 dat die autoriteiten over een beoordelingsmarge beschikken, met name bij het onderzoek van de kwestie of er al dan niet sprake is van gezinsbanden, en dat die beoordeling moet plaatsvinden overeenkomstig het nationale recht (zie in die zin arresten van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punt 59, en 6 december 2012, O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 74).
53 De lidstaten mogen de aan hen toegekende beoordelingsmarge echter niet zodanig gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel en aan het nuttig effect van richtlijn 2003/86. Bovendien volgt uit overweging 2 van die richtlijn dat deze de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde grondrechten en beginselen erkent (zie in die zin arrest van 6 december 2012, O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punten 74 en 75).
54 Derhalve moeten de lidstaten niet alleen hun nationale recht conform het Unierecht uitleggen, maar er ook op toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van een tekst van afgeleid recht die in conflict zou komen met de door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten (zie in die zin arresten van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punt 105; 23 december 2009, Detiček, C‑403/09 PPU, EU:C:2009:810, punt 34, en 6 december 2012, O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 78).
55 Artikel 7 van het Handvest, dat het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- of gezinsleven erkent, moet echter worden gelezen in samenhang met de verplichting van artikel 24, lid 2, van het Handvest om rekening te houden met de belangen van het kind, en met inachtneming van de in artikel 24, lid 3, van het Handvest tot uitdrukking gebrachte noodzaak dat een kind regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders onderhoudt (arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punt 58).
56 Hieruit volgt dat de bepalingen van richtlijn 2003/86 tegen de achtergrond van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest moeten worden uitgelegd en toegepast, zoals overigens blijkt uit de bewoordingen van overweging 2 en van artikel 5, lid 5, van deze richtlijn, op grond waarvan de lidstaten de betrokken verzoeken om gezinshereniging moeten onderzoeken in het belang van de betrokken kinderen en teneinde het gezinsleven te begunstigen (arrest van 6 december 2012, O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 80).
57 De bevoegde nationale autoriteiten dienen in dit verband een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken en daarbij in het bijzonder rekening te houden met de belangen van de betrokken kinderen (arrest van 6 december 2012, O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 81).
58 Voorts moet rekening worden gehouden met artikel 17 van richtlijn 2003/86, volgens hetwelk verzoeken om gezinshereniging individueel moeten worden behandeld (arresten van 9 juli 2015, K en A, C‑153/14, EU:C:2015:453, punt 60, en 21 april 2016, Khachab, C‑558/14, EU:C:2016:285, punt 43), waarbij eveneens rekening moet worden gehouden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden en culturele of sociale banden met zijn land van herkomst (arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punt 64).
59 Mitsdien dienen de bevoegde nationale autoriteiten bij de uitvoering van richtlijn 2003/86 en de behandeling van verzoeken om gezinshereniging met name een individuele beoordeling te verrichten, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante elementen van het geval en waarbij, indien nodig, bijzondere aandacht wordt besteed aan de belangen van de betrokken kinderen en aan het streven om het gezinsleven te bevorderen. Omstandigheden als de leeftijd van de betrokken kinderen, hun situatie in het land van herkomst en de mate waarin zij van verwanten afhankelijk zijn, kunnen in het bijzonder van invloed zijn op de omvang en de intensiteit van het vereiste onderzoek (zie in die zin arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punt 56). In elk geval en zoals gepreciseerd in punt 6.1 van de richtsnoeren mag een factor afzonderlijk niet automatisch tot een beslissing leiden.
Verplichtingen van de gezinshereniger en van zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid
60 Wat de verplichtingen van de gezinshereniger en van zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid betreft, zij eraan herinnerd dat een dergelijk verzoek volgens artikel 5, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2003/86 met name vergezeld moet gaan van „documenten waaruit de gezinsband blijkt”. Artikel 11, lid 2, van deze richtlijn preciseert dat het om „officiële bewijsstukken” moet gaan en dat bij gebreke daarvan de lidstaat „andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking neemt”. Artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn preciseert dat „teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, de lidstaten desgewenst gesprekken [kunnen] houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht”.
61 Zoals de advocaat-generaal in de punten 57 en 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit deze bepalingen dat de gezinshereniger en zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid de verplichting hebben om met de bevoegde nationale autoriteiten samen te werken, met name om hun identiteit en gezinsband vast te stellen alsmede de redenen die hun verzoek rechtvaardigen, hetgeen inhoudt dat zij, voor zover mogelijk, de gevraagde bewijzen verstrekken en, in voorkomend geval, de gevraagde toelichtingen en inlichtingen verschaffen (zie naar analogie arrest van 14 september 2017, K., C‑18/16, EU:C:2017:680, punt 38).
62 Deze samenwerkingsplicht impliceert derhalve dat de gezinshereniger of zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid alle relevante bewijselementen verstrekt om te beoordelen of de door hen aangevoerde gezinsband daadwerkelijk bestaat, maar ook dat zij antwoord geven op vragen en verzoeken daarover van de bevoegde nationale autoriteiten, dat zij zich ter beschikking van die autoriteiten houden voor gesprekken of andere onderzoeken en dat zij, wanneer zij geen officiële bewijsstukken kunnen overleggen waaruit de gezinsband blijkt, uitleggen waarom zij dat niet kunnen doen.
Onderzoek van de verstrekte bewijselementen en van de afgelegde verklaringen
63 Wat het onderzoek betreft dat de bevoegde nationale autoriteiten instellen naar de bewijskracht of de plausibiliteit van de bewijselementen en de verklaringen of uitleg die de gezinshereniger of het bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid heeft verstrekt, verlangt de vereiste individuele beoordeling dat die autoriteiten rekening houden met alle relevante elementen, daaronder begrepen de leeftijd, het geslacht, de opleiding, de herkomst en de sociale positie van de gezinshereniger of van het betrokken gezinslid alsmede met de specifieke culturele aspecten, zoals eveneens gepreciseerd in punt 6.1.2. van de richtsnoeren.
64 Zoals de advocaat-generaal in de punten 65, 66, 77, 79 en 81 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt hieruit dat deze elementen, verklaringen en uitleg ten eerste objectief moeten worden beoordeeld aan de hand van zowel algemene als specifieke relevante, objectieve, betrouwbare, precieze en bijgewerkte informatie over de situatie in het land van herkomst, daaronder begrepen met name de wettelijke bepalingen en de wijze waarop deze worden toegepast, het functioneren van de administratieve diensten en eventueel het bestaan van tekortkomingen in bepaalde plaatsen of voor bepaalde groepen personen.
65 Ten tweede moeten de nationale autoriteiten ook rekening houden met de persoon van de gezinshereniger of van zijn bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinslid, met de concrete situatie waarin zij zich bevinden en de bijzondere problemen waarmee zij worden geconfronteerd, zodat de eisen die kunnen worden gesteld aan de bewijskracht of de plausibiliteit van de elementen die de gezinshereniger of het gezinslid verstrekt, met name om aan te tonen dat het niet mogelijk is om officiële bewijsstukken van de gezinsband over te leggen, evenredig moeten zijn en moeten afhangen van de aard en het niveau van de problemen waaraan zij blootstaan.
66 Volgens overweging 8 van richtlijn 2003/86 vraagt de situatie van vluchtelingen en personen die een subsidiaire bescherming genieten, immers bijzondere aandacht wegens de redenen die hen ertoe hebben gedwongen hun land te ontvluchten en die hun beletten aldaar een normaal gezinsleven te leiden. Zo wordt in punt 6.1.2 van de richtsnoeren eveneens gepreciseerd dat de bijzondere situatie van vluchtelingen betekent dat het voor hen vaak onmogelijk of gevaarlijk is om officiële documenten in te dienen of contact op te nemen met de diplomatieke of consulaire instanties van hun land van herkomst.
67 Bovendien volgt uit de voorgaande overwegingen dat die nationale autoriteiten, indien de gezinshereniger de op hem rustende samenwerkingsplicht overduidelijk niet nakomt of indien op basis van objectieve elementen waarover de bevoegde nationale autoriteiten beschikken, duidelijk blijkt dat het om een frauduleus verzoek om gezinshereniging gaat, zijn verzoek mogen afwijzen.
68 Is echter geen sprake van dergelijke omstandigheden, dan moet het ontbreken van officiële bewijsstukken waaruit de gezinsband blijkt en het eventuele gebrek aan plausibiliteit van de daarover gegeven uitleg, eenvoudigweg worden aangemerkt als elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de individuele beoordeling van alle relevante elementen van het geval en zijn de bevoegde nationale autoriteiten niet vrijgesteld van de in artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003/86 opgenomen verplichting om rekening te houden met andere bewijzen.
69 Zoals eveneens in herinnering gebracht in punt 6.1.2 van de richtsnoeren, bepaalt artikel 11, lid 2, van die richtlijn immers expliciet, zonder dat daarbij sprake is van een beoordelingsmarge, dat het ontbreken van bewijsstukken niet de enige reden mag zijn voor de afwijzing van een verzoek en dat de lidstaten in dergelijke gevallen verplicht zijn om rekening te houden met andere bewijzen van het bestaan van een gezinsband.”
Uit wat voorafgaat blijkt dat de lidstaten, bij gebrek aan de vereiste officiële stukken die de gezinsband bewijzen, dienen over te gaan tot een concrete beoordeling van de individuele situatie en dat zij ertoe zijn gehouden om voor ieder individueel geval een algehele beoordeling van alle relevante factoren en omstandigheden te maken. Bij deze belangenafweging hebben lidstaten een beoordelingsmarge, rekening houdend met de doelstelling van de Gezinsherenigingsrichtlijn en het nuttig effect ervan.
Artikel 12bis van de vreemdelingenwet, gelezen in het licht van het voormelde arrest van het Hof van Justitie, laat geen twijfel bestaan over de vaststelling dat een aanvraag gezinshereniging van een vermoedelijke echtgenoot en van de vermoedelijke minderjarige kinderen van een erkend vluchteling niet mag worden geweigerd louter wegens het ontbreken van officiële bewijsstukken.
Zoals uit de bespreking hoger is gebleken, aanvaardt de verwerende partij dat een niet-gelegaliseerde kopie van de huwelijksakte werd voorgelegd. De motieven dat het gaat om een foto, dat het is opgesteld in de Arabische taal en dat de huwelijksakte niet vertaald is, houden, in het licht van de bespreking hoger, geen stand. Deze beoordeling is niet correct nu zij niet gedragen worden door de inhoud van het administratief dossier.
Verder blijkt dat, wat betreft de kinderen, verzoekende partij een uitleg heeft gegeven waarom geen geboorteaktes konden worden voorgelegd en werden in de plaats van de geboorteaktes vaccinatiebewijzen van de kinderen voorgelegd. Op deze vaccinatiebewijzen, afgeleverd door het Eritrese ministerie van gezondheid, staan ondermeer de naam van de kinderen, hun geboortedatum en de naam van hun moeder.
De Raad leest nergens in de bestreden beslissing dat verwerende partij stelt dat verzoekende partij, als Eritrese vrouw die momenteel met haar twee kinderen in Ethiopië verblijft, wel in de mogelijkheid moet zijn om officiële documenten van de gezinsbanden voor te leggen.
Uit de motieven van de bestreden beslissing kan ook niet blijken waarom de verwerende partij de voorgelegde documenten niet aanvaardt als “andere geldige bewijzen” in het licht van de al aanwezige elementen in het dossier, waaronder de verklaringen van de referentiepersoon bij haar verzoek tot internationale bescherming aangaande haar gezinsleden, de voorgelegde whatsapp-berichten en foto’s en de blijkens het administratief dossier op 21 oktober 2022 doorgestuurde bewijzen van de reis van de referentiepersoon naar Ethiopië waar de verzoekende partij en de kinderen verblijven.
Door het verzoek om gezinshereniging af te wijzen zonder over te gaan tot een (correcte) beoordeling van de “andere geldige bewijzen” overeenkomstig artikel 12bis §§ 5 en 6, schendt de bestreden beslissing artikel 12bis van de vreemdelingenwet.
Het betoog van de verwerende partij waar zij erop wijst dat de weigering genomen werd onder voorbehoud van een DNA-test, kan geen afbreuk doen aan voorgaande vaststelling. De Raad merkt daarbij op dat de bestreden beslissing wel degelijk een weigeringsbeslissing betreft en niet blijkt dat de verwerende partij, wanneer zij op correcte wijze bij de laatste stap in het cascadesysteem terechtkomt, al een weigeringsbeslissing kan nemen, ook al is dat onder voorbehoud van een DNA-test. Lezing van artikel 12bis van de vreemdelingenwet doet besluiten dat dergelijke analyse wordt gedaan in het kader van het onderzoek van de aanvraag en niet na afwijzing van de aanvraag. Daarnaast ziet de Raad ook niet in waarom in casu de opstart van de DNA-analyse afhankelijk wordt gesteld van het voorleggen van een nieuw medisch certificaat. Zoals blijkt uit de aanvraag, heeft verzoekende partij bij de aanvraag de benodigde medische certificaten voorgelegd en toont de verwerende partij ook niet aan dat de verzoekende partij niet is tegemoet gekomen aan haar vraag van 29 juni 2021 om nieuwe medische certificaten voor te leggen. De Raad verwijst weerom naar zijn arrest nr. 269 663 van 14 maart 2022, zoals hoger reeds aangehaald. Er blijkt niet dat de verzoekende partij haar samenwerkingsplicht niet is nagekomen. De Raad kan de verzoekende partij volgen dat niet blijkt waarom de opstart van de DNA- analyse – voor zover de verwerende partij terecht tot deze stap in het cascadesysteem zou komen, wat thans evenwel niet blijkt gelet op de bespreking hoger – vereist dat eerst nieuwe medische certificaten worden voorgelegd.
Verder blijkt ook nog dat de verwerende partij gedurende de behandeling van de aanvraag na het voormelde vernietigingsarrest nagelaten heeft de verzoekende partij in kennis te stellen van het feit dat er nieuwe medische certificaten moesten voorgelegd worden, laat staan om een DNA-analyse te kunnen opstarten. Zo blijkt dat de advocaat van verzoekende partij, nadat hij op 1 december 2022 - en dus na het treffen van de bestreden beslissing, doch op een ogenblik dat de verwerende partij nog geen kennisgeving had gedaan van de weigeringsbeslissing - het bericht kreeg dat “Het dossier werd heropend en we hebben alleen nog nieuwe medische certificaten nodig voor de moeder en haar 2 kinderen” er aldus terecht van kon uitgaan dat verzoekende partij daartoe snel zou worden uitgenodigd. Evenwel heeft de advocaat van verzoekende partij de verwerende partij op 21 december 2022 er moeten attent op maken dat verzoekende partij nog steeds geen uitnodiging had gekregen om de medische attesten te laten opstellen. Ook op 23 januari 2023 heeft de advocaat nogmaals geïnformeerd wat de stand van zaken is. Andermaal benadrukt de Raad dat dit een logische reactie van de advocaat van verzoekende partij is nu hij, noch verzoekende partij op dat moment wisten dat er al een weigeringsbeslissing was genomen en er aldus van uit mochten gaan dat eerst een officiële vraag aan de verzoekende partij zou volgen tot het voorleggen van de nieuwe medische certificaten waarna snel een beslissing zou volgen. Pas op 1 februari 2023 komt dan de reactie dat er al een weigeringsbeslissing is genomen onder voorbehoud van een DNA-test die pas een aanvang kan nemen wanneer nieuwe medische certificaten worden voorgelegd. Het is aldus pas na het treffen van de bestreden beslissing dat verzoekende partij op de hoogte werd gesteld van de voorwaarde om nieuwe medische certificaten voor te leggen, en dit dan nog om een DNA-analyse te laten aanvangen, en niet tijdens de loop van het onderzoek van de aanvraag. Verzoekende partij werd aldus niet in de mogelijkheid gesteld om tijdens het onderzoek van de aanvraag nieuwe medische certificaten voor te leggen, maar werd opnieuw geconfronteerd met een weigeringsbeslissing.
De verzoekende partij kan gevolgd worden dat dergelijk handelen getuigt van kennelijke onredelijkheid in hoofde van de verwerende partij.