Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 294.383 - 19-09-2023

Samenvatting

Met betrekking tot verzoekers verklaring dat hij in Egypte driemaal het slachtoffer werd van een ernstige inbreuk op zijn fysieke integriteit door een moslim genaamd M.H., dat hij zich hiervoor schaamt, dat in Egypte meisjes worden ontvoerd, verkracht en daarna gedwongen zich tot de Islam te bekeren en hij uit Egypte vluchtte voor hij gedwongen werd zich te bekeren wordt in de bestreden beslissing als volgt gemotiveerd: “Betreffende de drie inbreuken op uw fysieke integriteit dient vooreerst te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van dit gebeuren reeds ernstig onderuit gehaald wordt door het feit dat u deze feiten volledig kadert binnen uw originele asielmotieven, dewelke reeds in uw eerste verzoek ongeloofwaardig werden bevonden. De inbreuken op uw fysieke integriteit maken in uw verklaringen immers deel uit van de door u voorgehouden intimidatie en gedwongen bekering van christenen in Egypte (Verklaring volgend verzoek [...], 30 september 2022, vraag 20), waar overigens ook uw echtgenote in haar huidige verzoek naar verwijst (Verklaring volgend verzoek [...], 30 september 2022, vragen 17, 20, 23). Het feit dat u de inbreuken op uw fysieke integriteit linkt aan de problemen die u in Egypte zou hebben gehad omwille van uw geloof, die zowel door het CGVS als door de RvV reeds totaal ongeloofwaardig werden beschouwd, maakt dat de reden en context van deze feiten ook ongeloofwaardig worden. Bijgevolg wordt er ernstig afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van de voorgehouden inbreuken op uw fysieke integriteit an sich. Daarnaast liet u het na om deze feiten in uw eerste verzoek op het CGVS of in het daarop door u gestelde beroep bij de RvV, noch in uw tweede verzoek op de DVZ of in het daarna door u gestelde beroep bij de RvV – waarbij uw dossier telkens vertrouwelijk en individueel werd behandeld – te benoemen. Bovendien vond op uw eigen verzoek uw persoonlijk onderhoud van 13 april 2018 op het CGVS in het kader van uw eerste verzoek in het Engels – en dus zonder tolk – plaats. Dat u evenwel alsnog naliet om op enig moment gewag te maken van deze feiten, ondermijnt de geloofwaardigheid van de voorgehouden inbreuken op uw fysieke integriteit teneinde u te bekeren tot de islam nog verder.” Tijdens de zitting van de Raad, die op vraag van verzoeker achter gesloten deuren plaatsvond, verklaart verzoeker dat hij niet eerder vertelde over de verkrachting omdat hij zich hiervoor erg schaamt en het voor hem erg moeilijk is hierover te spreken. Verzoeker benadrukt dat hij pastoor is in Lier en niet zou liegen voor papieren en dat indien hij alleen in België zou zijn zonder zijn echtgenote en kinderen hij dit nooit zou gezegd hebben ook al zou dit betekenen dat hij zonder documenten in België moet verblijven omdat hij zich hierover erg schaamt.

Het is niet betwist dat verzoeker pas bij de indiening van het huidig volgend verzoek melding maakt van het feit dat hij tot driemaal toe werd verkracht door een moslim. De door verzoeker aangehaalde feiten zijn, indien geloofwaardig, zeer ernstig. Het komt frequent voor dat slachtoffers van seksueel geweld kampen met gevoelens van schaamte en angst en dat zij niet in staat zijn hierover te spreken bij de eerste gelegenheid die zich voordoet in de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming. Het Hof van Justitie heeft in de zaken C-148/13 tot en met C-150/13, “A, B en C tegen Staatssecretaris voor Justitie en Veiligheid” van 2 december 2014, die betrekking hadden op verzoeken om internationale bescherming op grond van seksuele oriëntatie, er op gewezen dat “Gelet op de gevoeligheid van vragen over iemands persoonlijke levenssfeer en met name zijn seksualiteit, kan uit het enkele feit dat deze persoon, wegens zijn terughoudendheid bij het onthullen van intieme aspecten van zijn leven, niet meteen heeft verklaard homoseksueel te zijn, niet de conclusie worden getrokken dat hij niet geloofwaardig is” (punt 69). Naar analogie kan worden gesteld dat de loutere vaststelling dat de verzoeker de feiten van seksueel misbruik zou hebben ondergaan pas in het kader van zijn tweede volgend verzoek heeft onthuld in beginsel niet kan volstaan om te besluiten tot de ongeloofwaardigheid ervan. Bovendien heeft, zoals reeds aangehaald, het Hof van Justitie geoordeeld dat de uitlegging van artikel 40, leden 2 en 3, van de Richtlijn 2013/32 die zou inhouden dat elk volgend verzoek niet-ontvankelijk moet verklaard worden op de enkele grond dat het is gebaseerd op elementen of bevindingen die de verzoeker ter ondersteuning van zijn vorig verzoek had kunnen voorleggen, verder zou gaan dan noodzakelijk is om de eerbieding van het beginsel van het gezag van gewijsde te waarborgen en zou dit afbreuk doen aan een behoorlijk en volledig onderzoek van de situatie van verzoeker (HvJ, C-18/20, 9 september 2021, punten 43 en 44).

In casu stelt de Raad vast dat, zoals aangegeven in de bestreden beslissing, uit de notities van het persoonlijk onderhoud gehouden in het kader van zijn eerste verzoek om internationale bescherming het persoonlijk onderhoud op zijn eigen verzoek plaatsvond in het Engels en zonder tolk. Verzoeker verklaart hierover ter terechtzitting dat hij dit had gevraagd omdat de meeste tolken moslim zijn en hij de tolk niet ongewild wilde kwetsen door de confrontatie met zijn christelijk geloof. Verzoeker kon op dat ogenblik niet vertellen over de inbreuken op zijn fysieke integriteit, ongeacht de aanwezigheid van een tolk. De Raad stelt vast dat ook in het kader van zijn tweede verzoek om internationale bescherming en in het kader van de beroepsprocedures inzake zijn eerste verzoek om internationale bescherming en zijn eerste volgend verzoek om internationale bescherming verzoeker deze feiten niet heeft vermeld. Verzoekers advocaat werpt ter terechtzitting op dat verzoeker niet kan verweten worden dat hij deze feiten niet vermeldde in het kader van de beroepsprocedure bij de Raad in het kader van zijn eerste volgend verzoek omdat dit beroep werd behandeld tijdens de covid-periode door middel van een schriftelijke procedure en geen terechtzitting werd georganiseerd. Het arrest van de Raad van 16 juni 2020 vermeldt de beschikking van 11 mei 2020 met toepassing van artikel 3, zesde lid van het bijzonder machtenbesluit nr. 19 van 5 mei 2020 met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de schriftelijke behandeling van zaken. Het betrof een uitzonderingsprocedure waarbij om redenen van volksgezondheid in deze periode geen zitting werd georganiseerd na een verzoek tot horen maar verzoeker de mogelijkheid kreeg een pleitnota in te dienen als reactie op de beschikking van de Raad. Verzoekers advocaat diende een pleitnota in. Gelet op het uitzonderlijke karakter van deze procedure voor de Raad waarbij verzoeker niet persoonlijk kon verschijnen verkeerde verzoeker toen niet in de mogelijkheid om desgevallend de behandeling achter gesloten deuren te vragen, zoals hij heden wel heeft gevraagd. Hoewel de louter schriftelijke afhandeling het vertrouwelijke karakter ervan niet als dusdanig in de weg stond, kan evenwel ook niet voorbijgegaan worden aan het gegeven dat de door verzoeker aangehaalde feiten zeer ernstig zijn; dat verzoeker hierover tot op heden niet werd gehoord door verwerende partij en dat verzoekers verklaringen en de redenen waarom hij deze feiten niet eerder vermeldde, op het eerste zicht oprecht overkomen. Ook de behandeling achter gesloten deuren laat niet toe om verzoeker uitgebreid en gedetailleerd te horen over deze feiten. In dit verband stelt de Raad ook vast dat verwerende partij over personeel beschikt dat daartoe een specifieke opleiding heeft genoten. Waar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de geloofwaardigheid van de door hem aangehaalde feiten reeds ernstig onderuit gehaald wordt door het feit dat hij deze volledig kadert binnen zijn originele asielmotieven, dewelke reeds in zijn eerste verzoek ongeloofwaardig werden bevonden, stelt de Raad vooreerst vast dat uit verzoekers verklaringen niet kan worden afgeleid dat hij deze feiten “volledig kadert binnen uw originele vluchtmotieven”. Blijkens de verklaring volgend verzoek antwoordt verzoeker gevraagd “Hebt u nog andere nieuwe elementen” als volgt: “Ja, maar ik durf dit echt niet zeggen. Ik wil ook niet dat mijn vrouw of eender wie dit te weten komt maar ik ben verkracht in Egypte door een moslim man genaamd M.F.. Hij heeft mij drie keer verkracht om mij schaamte te berokkenen. Dit is hoe ze het doen in Egypte, ze ontvoeren bijvoorbeeld meisjes, verkrachten ze en dan dwingen ze meisjes om zich te bekeren uit schaamte. Ik ben gevlucht uit Egypte voor ik gedwongen werd om mij te bekeren. Ik wil echt niet dat iemand dit te weten komt”. Verder herhaalt verzoeker, gevraagd waarom hij dit niet eerder heeft verteld, dat hij dit niet kon omdat hij zich hierover enorm schaamt en “ik dacht ook dat het feit dat ik christen ben en hierdoor gevaar loop genoeg was om erkend te worden. Daarnaast werd mijn vader ontvoerd en vermoord. Ik vertel echt de waarheid hierover en vond dat dit meer dan genoeg was om te bewijzen dat ik en mijn gezin niet veilig zijn in Egypte. Ik wil dat het CGVS dit ook weet en daarom vertel ik het nu wel hoewel dit erg moeilijk is voor mij” (verklaring volgend verzoek, vraag 17).

Hieruit blijkt duidelijk dat verzoeker de inbreuken op zijn fysieke integriteit niet verbindt aan de problemen die hij zou hebben gehad met de moslimbroeders M. en T. en de problemen van zijn vader, maar dit voorstelt als een afzonderlijk vluchtmotief dat verband zou houden met zijn koptisch-christelijke overtuiging. Bovendien stelt de Raad vast dat verzoeker deze nieuwe feiten ter terechtzitting situeert nadat hij volgens zijn verklaringen in 2017 werd vrijgelaten en dus in de periode van drie maanden gedurende dewelke hij nog in Egypte verbleef. Het seksueel geweld waarvan verzoeker beweert het slachtoffer te zijn geweest heeft dus volgens zijn verklaringen kort voor zijn vertrek uit Egypte plaatsgevonden en is er dus mee de aanleiding voor geweest. Indien verzoeker, zoals hij beweert, daadwerkelijk het slachtoffer is geweest van seksueel geweld omwille van zijn geloofsovertuiging is mogelijk sprake van vervolging in het verleden wat aanleiding zou kunnen geven tot de toepassing van artikel 48/7 van de Vreemdelingenwet. Uit het administratief dossier blijkt verder dat in het kader van het huidig volgend verzoek hierover niet werd gehoord door verwerende partij.

Gelet op de actuele situatie van koptische christenen in Egypte waarvan verwerende partij zelf stelt dat zij zorgelijk is en uit de beschikbare landeninformatie blijkt dat het geweld tegen koptische christenen in Egypte vanaf 2016 tot 2018 weer toenam, kan de Raad mede gelet op het gegeven dat verzoeker hierover tot op heden niet werd gehoord door verwerende partij, in de huidige stand van zaken niet bevestigen dat de voorwaarden van artikel 57/6/2, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet vervuld zijn zonder verder onderzoek van verzoekers verklaringen.