Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 294.863 - 29-09-2023

Samenvatting

Wat de samenwerkingsplicht betreft, wordt in het verzoekschrift geopperd dat het “persoonlijk onderhoud van de verzoeker werd uitgevoerd door de Protection Officer ‘K.’ die berucht is vanwege haar vijandige, onbeleefde, denigrerende en respectloze wijze van ondervraging”. Volgens verzoekers aarzelt ze niet om “de verzoekers regelmatig te onderbreken, sarcastische opmerkingen te maken en openlijk te spotten met de antwoorden van verzoekers.”. Verder wordt verwezen naar het Handvest van het Persoonlijk Onderhoud (p. 9-12).

Vooreerst dient opgemerkt dat, indien verzoekers dergelijke aantijgingen wensen te formuleren – onder meer dat de protection officer in kwestie berucht is vanwege haar vijandige, onbeleefde, denigrerende en respectloze wijze van ondervraging - redelijk is te verwachten dat zij dit zouden staven of onderbouwen met enig begin van bewijs, quod non. Bovendien wordt vastgesteld dat verzoekers deze opmerkingen over het verloop van het persoonlijk onderhoud pas in het verzoekschrift – en niet tijdens of op het einde van hun persoonlijk onderhoud – aanbrengen.

Naast enkele loutere, niet-geconcretiseerde aantijgingen en verwijzingen naar het Handvest van het Persoonlijk Onderhoud, beperken verzoekers zich tot een verwijzing naar enkele zinnen uit de notities uit het persoonlijk onderhoud, die luiden als volgt:
“Die mens gaat niet zelf voorstellen om ambassades af te schuimen om visa aan te vragen?
(…)
Dat is totaal absurd dat beseft u toch ook?
(…)
Wie was die mens?
(…)
Heeft die mens ook een naam?
(…)
Hoe heet die?”.

Uit deze enkele zinnen, die bovendien worden weergegeven zonder de context van het gesprek waarin verzoekster zich zeer ontwijkend opstelt, kan geenszins een “vijandige, onbeleefde, denigrerende en respectloze wijze van ondervraging” worden afgeleid, noch dat de protection officer in kwestie niet aarzelt om “de verzoekers regelmatig te onderbreken, sarcastische opmerkingen te maken en openlijk te spotten met de antwoorden van verzoekers.”.

Verder wordt in het verzoekschrift gesteld dat de “verzoeker” niet met respect werd behandeld, maar bespot, dat de toon en het taalgebruik niet werden aangepast, dat verzoekers en hun advocaat de protection officer partijdig, discriminerend, respectloos en onprofessioneel vonden, dat de protection officer geen greintje empathie toonde, dat de protection officer ook gekend staat om haar onzorgvuldige en onvolledige notities, dat er geregeld woorden en/of gehele zinnen van zowel “verzoekers als haarzelf” ontbreken, dat er onvoldoende rekening werd gehouden met de oudere leeftijd van verzoekers en hun gebrek aan opleiding, dat de verzoekers meermaals werden onderbroken door de protection officer, dat er vaak meerdere vragen tegelijk werden gesteld en dat de protection officer regelmatig haar afkeur toonde bij het stellen van follow-up vragen. Deze loutere en boude stellingen worden echter niet geduid met concrete passages uit het persoonlijk onderhoud. Evenmin kunnen deze blijken uit een lezing door de Raad van de respectievelijke persoonlijke onderhouden. Integendeel kan na lezing van de notities van de persoonlijke onderhouden van beide verzoekers wel worden vastgesteld dat verzoekers doorgaans met “u”/”uw” werden aangesproken en dat uit geen enkele van de aan verzoekers gestelde vragen enige vijandigheid, sarcasme of gebrek aan respect valt af te leiden.

Verzoekers verwijten de protection officer voorts te hebben “nagelaten de notities zelf na te lezen op schrijf- en of typfouten, die talrijk aanwezig zijn” en wijzen erop dat de notities bol staan van de afkortingen. Hoewel bepaalde delen van de notities van het persoonlijk onderhoud inderdaad afkortingen en typfouten bevatten, maken deze de verklaringen van beide verzoekers geenszins onleesbaar, noch tonen verzoekers aan dat de in deze notities voorkomende typfouten afbreuk doen aan de pertinente en concrete vaststellingen van de bestreden beslissing.

Waar verzoekers stellen dat er enkele fouten in de bestreden beslissingen zelf staan, met name de geboortedatum van verzoekster en de geboorteplaats van verzoeker, wordt vastgesteld dat de respectievelijke geboortemaanden van verzoeker en verzoekster inderdaad werden omgewisseld in de bestreden beslissing. Dit betreft een materiële vergissing. Het omwisselen van de geboortedata van verzoeker en verzoekster bij de bespreking van het feitenrelaas heeft echter geen impact op de motieven en conclusie van de respectievelijke bestreden beslissingen. Wat betreft de geboorteplaats van verzoeker blijkt uit het persoonlijk onderhoud van verzoeker dat hij zelf stelde in Makhmour te zijn geboren (“Geboortedatum en plaats”, “Ik denk op 1/7/1962 in Makhmour”, notities van het persoonlijk onderhoud verzoeker, p. 3). De vermelding van Makhmour als geboorteplaats betreft bijgevolg geen fout in de bestreden beslissing ten aanzien van verzoeker.

Gelet op wat voorafgaat tonen verzoekers niet aan dat de betrokken protection officer onzorgvuldig of respectloos zou zijn geweest noch dat verweerder zou hebben gefaald in de samenwerkingsplicht.