Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 300.714 - 29-01-2024

Samenvatting

De verwerende partij motiveert over de zorg die de verzoekende partij aan haar grootmoeder zou geven als volgt in de bestreden beslissing:

“Betrokkene woonde eerst in Brussel samen met zijn grootmoeder die ernstig ziek was en een bepaalde therapie diende te volgen. Dat was ook de reden waarom de cel Dublin toeliet dat zijn verzoek om internationale bescherming in België kon behandeld worden en niet in Italië, het land waarlangs hij het Europese continent betrad. (…) Betrokkene zou nog dagelijks bij zijn grootmoeder langsgaan en zorg dragen voor haar. Zowel de grootmoeder als zijn Marokkaanse vriendin getuigen dat zijn aanwezigheid hun levenskwaliteit heeft versterkt. (…) De louter verklaarde (psychologische) afhankelijkheid van zijn grootmoeder en zijn partner, van betrokkene, volstaat niet om te stellen dat er op de Belgische staat een positieve verplichting berust om betrokkene zijn leven in België verder te handhaven en te ontwikkelen. Zijn privéleven in België kan enkel in zeer uitzonderlijke omstandigheden aanleiding geven tot een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM. Het sociaal leven van betrokkene speelt zich af in Brussel met voornamelijk zijn grootmoeder en zijn partner. Dublin liet inderdaad toe dat betrokkene zijn verzoek om internationale bescherming in België kon laten behandelen gezien de zorg voor zijn grootmoeder die de Belgische nationaliteit heeft. Er wonen echter nog ooms en neven van betrokkenen in Brussel die eveneens zorg zouden kunnen dragen voor zijn grootmoeder gedurende zijn afwezigheid van het Belgische grondgebied, ook al wordt beweerd dat zijn familie geen oog zou hebben voor zijn grootmoeder, wat niet wordt aangetoond. De getuigenis van zijn grootmoeder dat zij afhankelijk is van haar kleinzoon kan niet worden aanvaard als bewijs. Dat haar levenscomfort erop vooruit is gegaan dankzij zijn aanwezigheid betekent immers niet dat betrokkene het Belgische grondgebied niet zou kunnen verlaten om een visumprocedure via de Belgische ambassade op te starten. Zijn grootmoeder kan gedurende zijn afwezigheid eveneens beroep doen op gespecialiseerde zorginstellingen en thuiszorg. Mijnheer bevindt zich sedert 2020 op het Belgische grondgebied. Zijn grootmoeder diende voor 2020 ook beroep te doen op andere mensen dan mijnheer in geval zij nood had om verzorgd te worden. De toegang tot het Belgische grondgebied wordt hem niet definitief ontzegd, maar een visumprocedure via de Belgische ambassade lijkt niet onmogelijk of bijzonder moeilijk. Hij woonde eerst samen met zijn toen zieke grootmoeder, maar hij woont nu samen met zijn vriendin, een studente wiskunde, met een andere nationaliteit dan de zijne, namelijk de Marokkaanse. Zij getuigt dat zij op haar beurt afhankelijk is van hem gezien hij een belangrijke steun voor haar vormt ten gevolge een vorige relatie waarbij zij werd verkracht en geslagen. Ze zou bovendien aan epilepsieaanvallen lijden. Een tijdelijke scheiding om zich in regel te stellen met de immigratiewetgeving kan echter niet beschouwd worden als een schending van artikel 8 van het EVRM. Getuigenissen zijn geen medische attesten en kunnen steeds een ‘gesolliciteerd karakter’ hebben. De relatie komt niet in het gedrang door de tijdelijke afwezigheid van mijnheer. Zijn partner kan hem eventueel vergezellen, ook al beweert ze dat dit niet mogelijk is, wegens haar studies. Het betreft een tijdelijke verwijdering van mijnheer van het Belgische grondgebied. Indien mevrouw beslist om toch in België te blijven, kan zij beroep doen op diverse zorgvoorzieningen in geval daar een nood toe zou zijn. Dat de permanente aanwezigheid van iemand verreist is bij mevrouw, wordt niet aangetoond. Mijnheer heeft trouwens ook nog familie in het herkomstland waar hij geboren en getogen is en het grootste deel van zijn leven doorbracht. Zijn ouders, 2 zussen en een broer wonen in Libanon. Mijnheer kan m.a.w. voor een tijdelijk verblijf in zijn herkomstland terugvallen op een vertrouwd familiaal netwerk.”

Uit deze motieven blijkt dat de verwerende partij zelf verwijst naar een eerdere beslissing die zij zelf nam ten aanzien van de verzoekende partij, namelijk de beslissing om, ondanks de verantwoordelijkheid van Italië in het kader van de Dublin-procedure, het verzoek om internationale bescherming van de verzoekende partij toch in België te behandelen. De verwerende partij motiveert onder meer als volgt: “Betrokkene woonde eerst in Brussel samen met zijn grootmoeder die ernstig ziek was en een bepaalde therapie diende te volgen. Dat was ook de reden waarom de cel Dublin toeliet dat zijn verzoek om internationale bescherming in België kon behandeld worden en niet in Italië (…)” en “Dublin liet inderdaad toe dat betrokkene zijn verzoek om internationale bescherming in België kon laten behandelen gezien de zorg voor zijn grootmoeder die de Belgische nationaliteit heeft.” De verwerende partij stelt dus met andere woorden zelf in de bestreden beslissing dat zij eerder al oordeelde dat de verzoekende partij niet naar Italië kon worden overgebracht met het oog op de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming aangezien zij de zorg voor haar grootmoeder opnam, die de Belgische nationaliteit heeft.

Dit blijkt overigens ook uit de stukken van het administratief dossier. Op 7 juni 2021 richtte de advocate van de verzoekende partij een e-mail aan de Dienst Vreemdelingenzaken, waarin zij onder meer het volgende schreef:

“ik dank u om te noteren dat mijn cliënt in België verblijft samen met zijn grootmoeder (…) van Belgische nationaliteit. Zij lijdt aan kanker en wordt in België daarvoor behandeld. In dat kader, is de aanwezigheid van haar kleinzoon, die mevrouw (…) begeleidt naar elke afspraak zeer belangrijk. Er bestaat bijgevolg een relatie van afhankelijkheid tussen de eiser en deze Belgische staatsburger en bijgevolg zijn er humanitaire redenen om geen toepassing te maken van de Dublin Verordening.”

Ze voegde hierbij een medisch getuigschrift en de verklaring van de grootmoeder van de verzoekende partij.

Op 11 juni 2021 antwoordde de Dienst Vreemdelingenzaken dat er besloten werd om het verzoek om internationale bescherming van betrokkene om humanitaire redenen in België te behandelen.
In de huidige bestreden beslissing motiveert de verwerende partij op dit punt nu dat “Er echter nog ooms en neven van betrokkenen in Brussel (wonen) die eveneens zorg zouden kunnen dragen voor zijn grootmoeder gedurende zijn afwezigheid van het Belgische grondgebied, ook al wordt beweerd dat zijn familie geen oog zou hebben voor zijn grootmoeder, wat niet wordt aangetoond. De getuigenis van zijn grootmoeder dat zij afhankelijk is van haar kleinzoon kan niet worden aanvaard als bewijs. Dat haar levenscomfort erop vooruit is gegaan dankzij zijn aanwezigheid betekent immers niet dat betrokkene het Belgische grondgebied niet zou kunnen verlaten om een visumprocedure via de Belgische ambassade op te starten. Zijn grootmoeder kan gedurende zijn afwezigheid eveneens beroep doen op gespecialiseerde zorginstellingen en thuiszorg. Mijnheer bevindt zich sedert 2020 op het Belgische grondgebied. Zijn grootmoeder diende voor 2020 ook beroep te doen op andere mensen dan mijnheer in geval zij nood had om verzorgd te worden. De toegang tot het Belgische grondgebied wordt hem niet definitief ontzegd, maar een visumprocedure via de Belgische ambassade lijkt niet onmogelijk of bijzonder moeilijk. Hij woonde eerst samen met zijn toen zieke grootmoeder, maar hij woont nu samen met zijn vriendin (…)”.

De verwerende partij haalt nu dus een hele resem argumenten aan, waarvan zij echter ook al op de hoogte was of minstens had kunnen zijn op het moment van de beslissing om het verzoek om internationale bescherming toch in België te behandelen, maar nu om de weigering van de aanvraag om machtiging tot verblijf te verantwoorden. Zo aanvaardt de verwerende partij de volgens haar “louter verklaarde (psychologische) afhankelijkheid van zijn grootmoeder” nu opeens niet meer, hecht zij geen geloof meer aan de getuigenis van de grootmoeder zelf, stelt zij dat er vooraleer de verzoekende partij in België was ook mensen voor haar grootmoeder konden zorgen, stelt zij dat er ook neven en nonkels in België zijn die voor haar grootmoeder kunnen zorgen, hecht zij geen geloof aan de verklaringen van de grootmoeder zelf die stelt dat haar kinderen niet voor haar zorgen maar de verzoekende partij wel, en stelt zij dat haar zorg ook kan vervangen worden door zorg in een gespecialiseerde instelling of verpleeghuis.

Aangezien blijkt dat de verwerende partij in het verleden de zorg van de verzoekende partij voor haar grootmoeder wel aanvaardde en zelfs belangrijk genoeg vond om het verzoek om internationale bescherming van de verzoekende partij in België te behandelen in plaats van haar daarvoor over te dragen aan Italië, het land dat volgens de Dublin III-verordening daarvoor verantwoordelijk was, maakt de verzoekende partij met haar betoog dat “de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor een verblijf in het buitenland, afgezien van het hypothetische karakter en de onzekere duur ervan, (niet) beantwoordt aan dit punt van zorg, aangezien het de dagelijkse verzorging en bezoeken zijn die mevrouw E. H. nodig heeft, waarin een - zelfs tijdelijke - verhuizing niet zou kunnen voorzien”.

De verwerende partij betwist verder niet dat de verzoekende partij een relatie heeft met haar Marokkaanse vriendin, die in België studeert en met wie de verzoekende partij samenwoont.

De verwerende partij acht de afhankelijkheid van de partner van de verzoekende partij niet bewezen. Zoals gezegd betwist de verwerende partij echter helemaal niet dat er sprake is van een relatie, en dat de verzoekende partij en haar partner samenwonen. De verwerende partij motiveert daarover als volgt:

“Hij woonde eerst samen met zijn toen zieke grootmoeder, maar hij woont nu samen met zijn vriendin, een studente wiskunde, met een andere nationaliteit dan de zijne, namelijk de Marokkaanse. Zij getuigt dat zij op haar beurt afhankelijk is van hem gezien hij een belangrijke steun voor haar vormt ten gevolge een vorige relatie waarbij zij werd verkracht en geslagen. Ze zou bovendien aan epilepsieaanvallen lijden. Een tijdelijke scheiding om zich in regel te stellen met de immigratiewetgeving kan echter niet beschouwd worden als een schending van artikel 8 van het EVRM. Getuigenissen zijn geen medische attesten en kunnen steeds een ‘gesolliciteerd karakter’ hebben. De relatie komt niet in het gedrang door de tijdelijke afwezigheid van mijnheer. Zijn partner kan hem eventueel vergezellen, ook al beweert ze dat dit niet mogelijk is, wegens haar studies. Het betreft een tijdelijke verwijdering van mijnheer van het Belgische grondgebied. Indien mevrouw beslist om toch in België te blijven, kan zij beroep doen op diverse zorgvoorzieningen in geval daar een nood toe zou zijn. Dat de permanente aanwezigheid van iemand verreist is bij mevrouw, wordt niet aangetoond.”

De verwerende partij motiveert dus onder meer dat de partner van de verzoekende partij de verzoekende partij kan vergezellen, ook al beweert ze zelf dat dit niet mogelijk is wegens haar studies. Deze motivering acht de Raad niet afdoende, aangezien de verwerende partij op geen enkele concrete wijze uitlegt waarom dit element, namelijk dat de partner van de verzoekende partij in België studeert, niet zou verhinderen dat zij de verzoekende partij zou volgen naar diens land van herkomst. Bovendien is het in casu niet betwist dat er sprake is van een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen de verzoekende partij en haar partner, met wie zij samenwoont. De loutere stelling van de verwerende partij dat de partner van de verzoekende partij haar kan vergezellen, ook al stelt ze zelf dat dit niet mogelijk is, zonder meer, volstaat in dit opzicht vanzelfsprekend niet.

Bovendien blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat de gemachtigde van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, in casu de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken oordeelde: gezien de zorg voor de grootmoeder (kanker) en vriendin (epilepsie) voorstel DG: geen 13 QQ (bijlage 13 quinquies zijnde een bevel om het grondgebied te verlaten) en visum aanvragen via de Belgische ambassade. Deze houding is tegenstrijdig. Enerzijds stelt de verwerende partij dat de verzoekende partij een visum dient aan te vragen via de Belgische ambassade, terwijl ze anderzijds beslist om de verzoekende partij niet te verplichten om terug te keren naar haar land van herkomst omwille van de zorg voor haar grootmoeder en vriendin. Hieruit blijkt nogmaals de kennelijke onredelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing betreffende de zorg van haar grootmoeder en vriendin.

De verzoekende partij maakt een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en de motiveringsplicht op dit punt aannemelijk.